C-726/21 INTER CONSULTING 

Contentverzamelaar

C-726/21 INTER CONSULTING 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    9 februari 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    26 maart 2022

Trefwoorden : ne bis in idem, vennootschappen, handelstransacties

Onderwerp :

Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen.

Feiten:

Ten tijde van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde feiten was GR lid van de raad van bestuur van de vennootschappen Skiper en Interco. GR was tevens lid van de raad van bestuur van de vennootschap Rezidencija Skiper en beschikte over aandelen in de vennootschap Alterius. HS was directeur van de vennootschap Interco, terwijl IT zich bezighield met vastgoedtaxaties. Op 28-09-2015 heeft het openbaar ministerie van het district Pula (Kroatië) een tenlastelegging opgesteld jegens GR, HS en IT, alsook tegen de vennootschap Interco. In deze tenlastelegging werden GR en de vennootschap Interco verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan misbruik van vertrouwen bij handelstransacties in de zin van artikel 246, leden 1 en 2, van de Kazneni zakon (strafwetboek, Kroatië). Bovendien werd HS en IT in deze tenlastelegging verweten te hebben aangezet tot respectievelijk te hebben geholpen bij het plegen van dit strafbare feit. HS heeft aangevoerd dat met betrekking tot dezelfde feiten reeds strafvervolging tegen hem was ingesteld in Oostenrijk. Het openbaar ministerie van Pula heeft het openbaar ministerie van Klagenfurt in de onderzoeksfase in 2014 verzocht om na te gaan of er soortgelijke procedures aanhangig waren en in welk stadium deze zich bevonden. Uit het antwoord van het ministerie van Justitie, het antwoord dat door het openbaar ministerie te Klagenfurt is verstrekt aan GR en de brief die is verzonden aan HS volgt dat bij het openbaar ministerie te Klagenfurt tegen de beschuldigden GR en HS een uiteindelijk wegens gebrek aan bewijs beëindigd onderzoek liep wegens strafbare feiten in de zin van § 153, leden 1 en 2, punt 2, StGB, die verschilden van de feiten waarop de door dit openbaar ministerie opgestelde tenlastelegging en het vervolgens door het LG Klagenfurt gewezen vonnis betrekking hadden.

Overweging:

De rechter in eerste aanleg wijst erop dat de mogelijkheid bestaat dat de feiten die worden uiteengezet in het dispositief van de tenlastelegging van het openbaar ministerie van Pula, in het dispositief van de tenlastelegging van het openbaar ministerie te Klagenfurt en in het dictum en de motivering van het onherroepelijke vonnis van het LG Klagenfurt, alsook die welke aan de orde waren in het beëindigde onderzoek van het openbaar ministerie te Klagenfurt, zowel in de tijd als in de ruimte inhoudelijk onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. De gepleegde feiten hebben zich namelijk vrijwel gelijktijdig voorgedaan. Wat betreft het inhoudelijke verband is de verwijzende rechter van oordeel dat de vergelijking van de feiten die worden vermeld in het dictum van het onherroepelijke vonnis van het LG Klagenfurt, waarbij GR en HS zijn vrijgesproken, de feiten die blijken uit de motivering van dat vonnis, ten aanzien waarvan het openbaar ministerie te Klagenfurt de strafrechtelijke procedure tegen GR en HS heeft beëindigd, met name het feit dat krediet HR/1061 is gebruikt voor de aankoop van onroerende goederen en de verwerving van aandelen in Kroatië tegen prijzen die veel hoger waren dan de marktprijzen, alsook de feiten die worden vermeld in de tenlastelegging van het openbaar ministerie van Pula, aantoont dat er mogelijk sprake is van gezag van gewijsde. De verwijzende rechter preciseert dat de beantwoording van de gestelde vraag voor hem noodzakelijk is, aangezien de praktijk van de Kroatische rechterlijke instanties gebiedt dat bij de toepassing van het beginsel ne bis in idem alleen de feiten waarnaar wordt verwezen in specifieke delen van een procedurele handeling, zoals het dispositief van een tenlastelegging of het dictum van een vonnis worden vergeleken, terwijl dat niet mogelijk is met betrekking tot de feiten die worden uiteengezet in andere delen daarvan. Deze praktijk berust op het feit dat de procedurele handeling enkel in dat opzicht onherroepelijk wordt.

Prejudiciële vraag:

Is bij de beoordeling van een schending van het beginsel ne bis in idem alleen een vergelijking mogelijk tussen de feiten die zijn vermeld in het dispositief van de tenlastelegging van de Županijsko državno odvjetništvo u Puli (openbaar ministerie van het district Pula, Kroatië) [...] van 28 september 2015 en de belangrijkste feiten die zijn vermeld in het dispositief van de tenlastelegging van de Staatsanwaltschaft Klagenfurt (openbaar ministerie van Klagenfurt, Oostenrijk) [...] van 9 januari 2015 en in het dictum van het vonnis van het Landesgericht Klagenfurt (rechter in eerste aanleg Klagenfurt, Oostenrijk) [...] van 3 november 2016, dat is bevestigd bij het arrest van het Oostenrijkse Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk) [...] van 4 maart 2019, of kunnen de feiten die zijn vermeld in het dispositief van de tenlastelegging van de Županijsko državno odvjetništvo u Puli [...] tevens worden vergeleken met die welke zijn vermeld in de motivering van het vonnis van het Landesgericht Klagenfurt [...] van 3 november 2016, dat is bevestigd bij het arrest van het Oostenrijkse Oberste Gerichtshof [...], alsook met de feiten waarop het onderzoek betrekking had dat door de Staatsanwaltschaft Klagenfurt is gevoerd [...] tegen verschillende personen, waaronder GR en HS, en die vervolgens zijn weggelaten uit de tenlastelegging van de Staatsanwaltschaft Klagenfurt [...] van 9 januari 2015 (en niet in het dispositief waren uiteengezet)?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV