C-741/21 juris

Contentverzamelaar

C-741/21 juris

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    3 februari 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    20 maart 2022

Trefwoorden : AVG, reclame, bezwaar, schadevergoeding

Onderwerp :

Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG.

Feiten:

Verzoeker, die in Duitsland zelfstandig advocaat is, was klant bij verweerster, die een juridische databank exploiteert. Nadat verweerster in antwoord op een verzoek van verzoeker om informatie had meegedeeld dat de gegevens van verzoeker ook waren gebruikt voor direct marketing, heeft verzoeker bij brief van 06-11-2018 de aan verweerster verleende toestemming om per e-mail en/of telefonisch te worden geïnformeerd over onderzoeksdiensten, inhoud en evenementen, alsmede alle eventuele verdere toestemmingen herroepen. Bovendien heeft hij bezwaar gemaakt tegen elke verwerking van hem betreffende persoonsgegevens voor reclamedoeleinden. In januari 2019 ontving verzoeker per post twee reclamebrieven van verweerster, elk gedateerd op 18-01-2019, op zijn kantooradres, maar persoonlijk aan hem gericht. Verzoeker is van mening dat verweerster op onrechtmatige wijze hem betreffende persoonsgegevens heeft verwerkt en daarbij zijn grondrecht voortvloeiende uit artikel 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie op zodanige wijze heeft geschonden dat hij de controle over zijn persoonsgegevens heeft verloren. Volgens hem is verweerster hem derhalve op grond van artikel 82, lid 1, AVG zowel een materiële als een immateriële schadevergoeding verschuldigd, zonder dat in dit verband aan aanvullende vereisten moet worden voldaan. Verweerster ontkent aansprakelijkheid van haar kant waarbij zij erop wijst dat zij een procedure voor de behandeling van reclamebezwaren heeft geïmplementeerd en dat de late behandeling van het reclamebezwaar te wijten was aan het feit dat een individuele medewerker in strijd met de instructies heeft gehandeld of dat alleen met onevenredig grote inspanningen gevolg had kunnen worden gegeven aan het bezwaar, nadat de brieven reeds in opdracht waren gegeven.

Overweging:

Allereerst rijst de vraag of een inbreuk op de AVG schade kan opleveren zonder dat andere rechtsposities worden aangetast. Dit kan het geval zijn, als de geschonden bepaling van de AVG de betrokkene een subjectief recht toekent. Indien een inbreuk op de verordening – bijvoorbeeld een louter onrechtmatige verwerking van gegevens op grond van artikel 6, lid 1, of het feit dat geen rekening is gehouden met een bezwaar op grond van artikel 21, lid 3 – en het ontstaan van schade zouden kunnen samenvallen, behoeft dus niet verder te worden onderzocht of een andere rechtspositie wordt aangetast. Daarnaast is volgens de bewoordingen van artikel 82, lid 1, AVG  de vordering tot schadevergoeding niet gekoppeld aan schuld van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker, zodat moet worden aangenomen dat er een vermoeden van schuld bestaat. Uit de bepaling wordt niet duidelijk welke concrete eisen aan dit bewijs moeten worden gesteld; met name blijft onduidelijk of „verantwoordelijk” moet worden opgevat in de zin van opzettelijk of nalatig en welke betekenis moet worden toegekend aan de bewoordingen „op geen enkele wijze”. Tegen deze achtergrond wint de vraag aan belang of de aansprakelijkheid van de verantwoordelijke reeds wegvalt door het feit dat deze verwijst naar een verzuim van een werknemer – in casu het verzuim om in strijd met uitdrukkelijke instructies een reclamebezwaar in het systeem te registreren. De derde vraag heeft betrekking op de criteria aan de hand waarvan de omvang van de verschuldigde vergoeding kan worden bepaald, in het bijzonder of de AVG uniforme criteria voorschrijft dan wel of de omvang van de vergoeding afhangt van de betrokken nationale bepalingen. In het hoofdgeding vond meerdere keren een gegevensverwerking plaats met het oog op direct marketing, hoewel hier eerder meermaals bezwaar tegen was gemaakt. Tegen deze achtergrond rijst de vraag of elke individuele inbreuk op de AVG afzonderlijk moet worden behandeld en bestraft, dan wel of – althans voor meerdere gelijksoortige inbreuken – een algehele vergoeding moet worden vastgesteld.

Prejudiciële vragen:

1. Moet het begrip immateriële schade in artikel 82, lid 1, AVG met het oog op overweging 85 en overweging 146, derde zin, van verordening 2016/679 in die zin worden opgevat dat het elke aantasting van de beschermde rechtspositie omvat, ongeacht de overige gevolgen en de aanzienlijkheid ervan?

2. Wordt aansprakelijkheid voor schadevergoeding op grond van artikel 82, lid 3, AVG uitgesloten door het feit dat de inbreuk wordt toegeschreven aan een menselijke fout in het individuele geval van een persoon die handelt onder het gezag van de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 29 AVG?

3. Is het toelaatbaar of raadzaam om de bepaling van de immateriële schade te baseren op de vaststellingscriteria van artikel 83 AVG, in het bijzonder artikel 83, leden 2 en 5, AVG?

4. Moet de schadevergoeding worden bepaald voor elke individuele inbreuk of worden meerdere – althans meerdere gelijksoortige – inbreuken bestraft met een algehele schadevergoeding die niet wordt bepaald door optelling van individuele bedragen, maar is gebaseerd op een evaluatieve, integrale afweging?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV