C-752/21 Otdel Mitnichesko razsledvane i razuznavane

Contentverzamelaar

C-752/21 Otdel Mitnichesko razsledvane i razuznavane

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    18 februari 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    4 april 2022

Trefwoorden : douanewetboek, rechtsbescherming, ten gunste van de staat geconfisqueerde goederen

Onderwerp :

-           Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie

-           Kaderbesluit 2005/212/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de confiscatie van opbrengsten van misdrijven, alsmede van de daarbij gebruikte hulpmiddelen en de door middel daarvan verkregen voorwerpen

Feiten:

Op 11-07-2020 heeft het openbaar ministerie Haskovo, Bulgarije een strafrechtelijk vooronderzoek ingesteld, omdat op die dag bij het douanekantoor bij binnenkomst in Bulgarije vanuit Turkije is gepoogd om 3840 brandstofinjectoren voor voertuigen, geladen in een vrachtwagen, over de staatsgrens te vervoeren zonder medeweten en toestemming van de douaneautoriteiten, hetgeen een misdrijf is in de zin van artikel 242, lid 1, onder d), van het Bulgaars wetboek van strafrecht (NK). De afdeling „douaneonderzoek en -opsporingen bij het territoriaal directoraat „Douanekantoor Burgas” heeft de verzamelde bewijzen onderzocht en bevonden dat er geen bewijzen waren met betrekking tot de persoon van de dader. Daarom heeft hij krachtens artikel 232, lid 1, van de douanewet (ZM) boetebeschikking nr. 233/20.02.2021 uitgevaardigd tegen een onbekende dader en hierbij de confiscatie van 3 840 brandstofinjectoren voor voertuigen met een douanewaarde van 479 813,05 lev (BGN) van een onbekende dader bevolen ten gunste van de staat. Blijkens de betreffende kentekenbewijzen stond de ten gunste van de staat geconfisqueerde vrachtwagencombinatie op naam van JP EOOD. JP EOOD stelt dat zij vermogensschade heeft geleden als gevolg van de bij de bestreden beschikking gelaste confiscatie van aan haar toebehorende voorwerpen ten gunste van de staat. Ofschoon zij een niet bij de administratieve procedure betrokken derde is, lijdt zij niettemin vermogensschade, zonder dat zij de mogelijkheid heeft om haar rechten en legitieme belangen daadwerkelijk te beschermen.

Overweging:

De verwijzende rechter stelt dat JP EOOD een niet bij de administratieve overtredingsprocedure betrokken derde is en overeenkomstig artikel 59, lid 2, van de wet op de bestuursrechtelijke overtredingen en straffen (ZANN), zoals ten tijde van de overtreding van toepassing, niet tot de kring van personen behoort die de uitgevaardigde boetebeschikking kunnen aanvechten, ook niet voor wat betreft het deel dat te maken heeft met haar geconfisqueerde voorwerpen. De verwijzende rechter vraagt zich derhalve af, of artikel 44, lid 1, van verordening 952/2013, gelezen in samenhang met artikel 13 EVRM en artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als artikel 59, lid 2, ZANN, op grond waarvan de eigenaar van in het kader van een boetebeschikking geconfisqueerde voorwerpen, indien hij de overtreding niet heeft begaan, niet behoort tot de kring van personen die tegen deze beschikking een voorziening in rechte kunnen instellen. Vervolgens vraagt de verwijzende rechter zich af, of artikel 22, lid 7, gelezen in samenhang met de artikelen 29 en 44 van verordening 952/2013, artikel 13 EVRM en artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling zoals artikel 232, lid 1, ZM, op grond waarvan geen voorzieningen in rechte kunnen worden ingesteld tegen een boetebeschikking jegens een onbekende dader, indien bij deze beschikking volgens het nationale recht de confiscatie van voorwerpen die toebehoren aan een niet bij de administratieve overtredingsprocedure betrokken derde, ten gunste van de staat kan worden gelast. Ten slotte vraagt de verwijzende rechter zich af of artikel 4 van kaderbesluit 2005/212/JBZ, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest per argumentum a fortiori in die zin moet worden uitgelegd, dat die bepalingen ook moeten worden toegepast wanneer de handelwijze geen misdrijf vormt, alsook in die zin, dat voornoemd artikel 4 in de weg staat aan nationale regelingen waarin de eigenaar van de geconfisqueerde voorwerpen wordt uitgesloten van de kring van personen die gerechtigd zijn om een voorziening in rechte in te stellen, of waarin uitdrukkelijk wordt bepaald dat geen voorzieningen in rechte openstaan tegen een beschikking waarbij volgens het nationale recht voorwerpen van een derde die niet bij de administratieve overtredingsprocedure is betrokken, kunnen worden geconfisqueerd.

Prejudiciële vraag:

1. Moet artikel 44, lid 1, van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013, gelezen in samenhang met artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”) en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling zoals artikel 59, lid 2, van de Zakon za administrativnite narushenia i nakazania (Bulgaarse wet op de bestuursrechtelijke overtredingen en straffen; hierna: „ZANN”), op grond waarvan de eigenaar van voorwerpen die in het kader van een boetebeschikking zijn geconfisqueerd, indien hij de overtreding niet heeft begaan, niet behoort tot de kring van personen die tegen deze beschikking een voorziening in rechte kunnen instellen.

2. Moet artikel 22, lid 7, gelezen in samenhang met de artikelen 29 en 44 van verordening (EU) nr. 952/2013, artikel 13 EVRM en artikel 47 van het Handvest, aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling zoals artikel 232, lid 1, van de Zakon za mitnitsite (Bulgaarse douanewet, hierna: „ZM”), op grond waarvan geen voorzieningen in rechte kunnen worden ingesteld tegen een boetebeschikking ten aanzien van een onbekende dader, indien bij deze beschikking volgens het nationale recht de confiscatie van voorwerpen die toebehoren aan een niet bij de administratieve overtredingsprocedure betrokken derde, ten gunste van de staat kan worden gelast?

3. Moet artikel 4 van kaderbesluit 2005/212/JBZ van de Raad van 24 februari 2005, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, per argumentum a fortiori in die zin worden uitgelegd, dat het ook moet worden toegepast wanneer de handelwijze geen misdrijf vormt, alsook in die zin, dat het in de weg staat aan nationale regelingen waarin – zoals in artikel 59, lid 2, ZANN – de eigenaar van de geconfisqueerde voorwerpen wordt uitgesloten van de kring van personen die gerechtigd zijn om een voorziening in rechte in te stellen, of waarin – zoals in artikel 232 ZM – uitdrukkelijk wordt bepaald dat geen voorzieningen in rechte openstaan tegen een beschikking waarbij volgens het nationale recht voorwerpen van een niet bij de administratieve overtredingsprocedure betrokken derde kunnen worden geconfisqueerd?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-393/19)

Specifiek beleidsterrein: JenV, FIN