C-755/22 Narokuj  

Contentverzamelaar

C-755/22 Narokuj  

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    8 februari 2023
Schriftelijke opmerkingen:                    25 maart 2023

Trefwoorden: kredietovereenkomsten, consumentenbescherming, handelsvennootschap

Onderwerp: Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad

Feiten:

Het geding betreft een terugbetaling op grond van ongerechtvaardigde verrijking ten bedrage van 35 000,00 CZK, vermeerderd met wettelijke vertragingsrente tegen een rentevoet van 8,5 % per jaar over de periode van 23-09-2021 tot op de datum van betaling. Verzoekster heeft een schuldvordering verworven van een consument die met de vennootschap JET Money s.r.o. een overeenkomst inzake een consumentenkrediet ten bedrage van 50 000,00 CZK heeft gesloten. Vóór de sluiting van de overeenkomst heeft de consument zijn identiteitskaart en zijn rijbewijs overgelegd, alsmede loonstrookjes ter bevestiging van zijn arbeidsloon over een periode van drie maanden voorafgaand aan de sluiting van

de kredietovereenkomst, bevestigingen van betalingen voor nutsvoorzieningen in verband met het gebruik van een woning alsmede van betalingen voor televisie en internet, eveneens over een periode van drie maanden voorafgaand aan de sluiting van de kredietovereenkomst, en een verklaring van zijn aandeel in de gezamenlijke huishoudelijke uitgaven. Bovendien heeft hij in de kredietaanvraag aangegeven dat hij geen andere eerdere schulden heeft, dat hij alleenstaand is en met zijn grootmoeder een gezamenlijke huishouding voert. Vervolgens heeft de consument het krediet tezamen met de nevenvorderingen afgelost en daartoe een bedrag van 85 000,00 CZK terugbetaald. Het in het verzoekschrift gevorderde bedrag van 35 000,00 CZK is het verschil tussen de hoofdsom van het krediet en het terugbetaalde bedrag. De persoon van de kredietgever is op 28-09-2018 gewijzigd na overdracht van een deel van de onderneming aan de huidige verweerster. Partijen verschillen van mening over de juridische beoordeling. Volgens verzoekster is de kredietgever zijn verplichtingen niet nagekomen omdat hij de kredietwaardigheid van de consument onvoldoende heeft beoordeeld, zodat de overeenkomst nietig is. De kredietwaardigheid is niet beoordeeld met de zorgvuldigheid die van een ondernemer mag worden verwacht, aangezien de kredietgever bijvoorbeeld heeft verzuimd om het werkelijke bedrag van de gedane uitgaven op geloofwaardige wijze te controleren. Volgens verzoekster is het logisch dat de consument de nietigheid van de overeenkomst niet kon inroepen op een moment waarop hij geen mogelijkheid had om juridisch advies van een advocaat in te winnen. Verweerster geeft daarentegen aan dat de kredietwaardigheid op toereikende wijze is beoordeeld. Volgens haar is de consumentenbescherming zelfs niet van toepassing, aangezien de betrokken schuldvordering niet meer verschuldigd is aan een consument maar aan een handelsvennootschap.

Overweging:

Naar het oordeel van de verwijzende rechter moet voor de beslechting van de zaak worden vastgesteld of richtlijn 2008/48 tot doel heeft een kredietgever een sanctie op te leggen wegens het onvolledig beoordelen van de kredietwaardigheid van de consument, ook indien een consument een door hem ontvangen krediet volledig heeft afgelost en hij gedurende de aflossing van het krediet geen bezwaren tegen de gesloten overeenkomst heeft opgeworpen. Hoewel sommige nationale hogere rechters van oordeel zijn dat de hierboven geformuleerde vraag bevestigend moet worden beantwoord, is de verwijzende rechter van oordeel dat het Hof zich nog niet over deze kwestie heeft uitgesproken en dat het antwoord op deze vraag ook kan berusten op een tegenovergestelde uitlegging, die is gebaseerd op een afweging van de belangen van beide partijen bij de overeenkomst en die er rekening mee houdt dat ook de consument aansprakelijk is voor zijn handelingen. De verplichting van de kredietgever om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen is niet het hoofddoel van de richtlijn, maar het middel om dat doel te bereiken. Derhalve rijst de vraag of het een intrinsieke doelstelling van de richtlijn is om een sanctie aan de kredietgever op te leggen wanneer de verstrekking van het krediet geen nadelige gevolgen heeft gehad of wanneer niets erop wijst dat zich nadelige gevolgen hebben voorgedaan (wanneer slechts sprake is van de hypothetische mogelijkheid dat de consument in de toekomst insolvent zou kunnen worden; in het onderhavige geval is dit niet beweerd en nog minder bewezen).

Prejudiciële vraag:

Heeft richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad tot doel om een kredietgever een sanctie op te leggen wegens het onvolledig beoordelen van de kredietwaardigheid van een consument, ook wanneer die consument een door hem ontvangen krediet volledig heeft afgelost en hij gedurende de aflossing van het krediet geen bezwaren tegen de gesloten overeenkomst heeft opgeworpen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZK

Gerelateerde documenten