C-756/21 International Protection Appeals Tribunal e.a.

Contentverzamelaar

C-756/21 International Protection Appeals Tribunal e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    4 februari 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    21 maart 2022

Trefwoorden: internationale bescherming, samenwerkingsplicht, erkenningsrichtlijn

Onderwerp:

-           Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming

-           Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking)

-           Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus

-           Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming

Feiten:

Op 01-07-2015 is X, een Pakistaans onderdaan, in Ierland aangekomen. Voordien had hij in het Verenigd Koninkrijk verbleven. Op 02-07-2015 heeft hij bij het Bureau van de Commissaris voor Vluchtelingen, Ierland (ORAC) een verzoek tot toekenning van de vluchtelingenstatus ingediend. Zijn bezorgdheid, voor het geval dat hij zou worden teruggestuurd naar Pakistan, heeft betrekking op geestelijke gezondheidsproblemen die hij beweert te hebben opgelopen nadat hij zich in de nabijheid van een terroristische bomaanslag in zijn land van herkomst bevond. Op 14-11-2016 heeft het ORAC het verzoek afgewezen. Op 02-12-2016 is X in beroep gegaan bij de Ierse beroepsinstantie in vluchtelingenzaken (RAT), maar de behandeling van het beroep werd geschorst. Op 31-12-2016 is de International Protection Act 2015 in Ierland in werking getreden. Dit had als onmiddellijk gevolg dat het ORAC en het RAT werden opgeheven en werden vervangen door het bureau voor internationale bescherming (IPO) respectievelijk de beroepsinstantie inzake verzoeken om internationale bescherming (IPAT). Op 13-03-2017 heeft X het IPO om subsidiaire bescherming verzocht, dat op 29-02-2018 een negatief advies heeft uitgebracht, waartegen beroep is ingesteld bij de IPAT. De verwijzende rechter wijst erop dat de oorspronkelijke beschrijving door X van de gebeurtenissen aanzienlijk is gewijzigd in de loop van zijn verzoeken en dat hij geestelijke gezondheidsproblemen lijkt te hebben. De IPAT heeft beide beroepen afgewezen. X is in wezen van mening dat de bestreden beslissing een aantal fouten bij de toepassing van het Unierecht vertoont en in strijd met zijn grondrechten is vastgesteld.

Overweging:

De verwijzende rechter onderscheidt vier kwesties die volgens hem afhankelijk zijn van de antwoorden op de prejudiciële vragen. Deze kwesties hebben hoofdzakelijk betrekking op de gevolgen van schending van het Unierecht. De verwijzende rechter wenst te vernemen of hij de bestreden beslissing nietig moet verklaren op grond van: i) het verzuim van de IPAT om up-to-date informatie over het land van herkomst in aanmerking te nemen; ii) de vertraging in de beoordeling van het verzoek van X; iii) het feit dat de IPAT geen andere bewijzen heeft verzameld, zoals bijvoorbeeld een SPIRASI-verslag, iv) het feit dat X ten onrechte niet het voordeel van de twijfel werd gegund door de IPAT. Gelet op andersluidende en bindende precedenten in het nationaal recht inzake (het ontbreken van een) verplichting om informatie over het land van herkomst te onderzoeken, is de verwijzende rechter van mening dat hij richtsnoeren nodig heeft over de precieze omvang en gevolgen van de samenwerkingsplicht als bedoeld in artikel 4 van de erkenningsrichtlijn, alvorens hij definitief uitspraak kan doen over de gevolgen van de vermeende niet-nakoming van deze plicht en de gestelde schade als gevolg daarvan.

Prejudiciële vragen:

A. Wanneer de samenwerkingsplicht als omschreven in punt 66 van het arrest in zaak C-277/11, M./Minister for Justice, Equality and Law Reform e.a. (EU:C:2012:744) in zijn geheel niet is nagekomen in het kader van een verzoek tot subsidiaire bescherming, werd de beoordeling van dat verzoek dan „elke

nuttige werking” ontnomen in de zin van het arrest in zaak C-137/14, Commissie/Duitsland (EU:C:2015:683)?

B. Indien vraag A bevestigend wordt beantwoord, vloeit uit de voornoemde niet-nakoming van de samenwerkingsplicht op zich dan voort dat een verzoeker recht op nietigverklaring van de beslissing [tot weigering van subsidiaire bescherming] heeft?

C. Indien vraag B ontkennend wordt beantwoord, op wie rust in voorkomend geval dan de plicht om aan te tonen dat de weigeringsbeslissing anders was geweest indien er sprake was geweest van een behoorlijke samenwerking van de zijde van de beslissingsautoriteit [met betrekking tot het verzoek tot subsidiaire bescherming]?

D. Vloeit uit het verzuim om binnen een redelijke termijn een beslissing te nemen over een verzoek tot internationale bescherming voort dat een verzoeker recht op nietigverklaring van een [weigerings]beslissing heeft, wanneer zij is vastgesteld?

E. Vormt de tijd die nodig is om de in een lidstaat toepasselijke regelgeving inzake asielbescherming te wijzigen een rechtvaardiging voor de niet-toepassing door die lidstaat van een regeling inzake internationale bescherming, die het mogelijk had gemaakt om binnen een redelijke termijn een beslissing over dat verzoek om bescherming te nemen?

F. Wanneer een voor verzoeken tot internationale bescherming bevoegde beslissingsautoriteit niet over voldoende bewijs van de geestelijke gezondheidstoestand van een verzoeker beschikt, maar er wel aanwijzingen zijn dat de verzoeker mogelijkerwijs geestelijke gezondheidsproblemen heeft, is die autoriteit dan op grond van de in zaak C-277/11, M./Minister for Justice, Equality and Law Reform e.a. (punt 66) genoemde samenwerkingsplicht of anderszins verplicht om nader onderzoek te verrichten, of heeft zij een andere verplichting, alvorens zij een definitieve beslissing neemt?

G. Wanneer een lidstaat voldoet aan zijn verplichting uit hoofde van artikel 4, lid 1, van de erkenningsrichtlijn om de relevante elementen van een verzoek te onderzoeken, kan dan wegens één leugen van de verzoeker, die later bij de eerste geschikte gelegenheid is toegelicht en ingetrokken, worden vastgesteld dat de algemene geloofwaardigheid van de verzoeker niet vaststaat?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: M./Minister for Justice, Equality and Law Reform e.a. (C-277/11), Commissie/Duitsland (C-137/14)

Specifiek beleidsterrein: JenV-DMB