C-765/21 Azienda Ospedale-Universita di Padova 

Contentverzamelaar

C-765/21 Azienda Ospedale-Universita di Padova 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    29 maart 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    15 mei 2022

Trefwoorden : Covid, vaccinatieplicht, gezondheidswerkers, evenredigheidsbeginsel

Onderwerp :

-           Verordening (EG) nr. 507/2006 van de Commissie van 29 maart 2006 betreffende voorwaardelijke vergunningen voor het in de handel brengen van geneesmiddelen voor menselijk gebruik die binnen het toepassingsgebied van verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad vallen

-           Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik

-           Verordening (EU) 2021/953 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2021 betreffende een kader voor de afgifte, verificatie en aanvaarding van interoperabele COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten (digitaal EU-COVID-certificaat) teneinde het vrije verkeer tijdens de COVID-19-pandemie te faciliteren

Feiten:

D.M. is werknemer van de Azienda Ospedale-Università di Padova sinds 2017. Bij besluit van 16-09-2021 heeft dit bedrijf haar op grond van artikel 4 van decreto-legge nr. 44/2021 met onmiddellijke ingang geschorst zonder salaris omdat D.M haar verplichting tot vaccinatie niet was nagekomen, en haar geen taken konden worden gegeven die geen besmettingsrisico met zich brachten. De schorsing bleef van kracht tot zij zich liet vaccineren of, indien zij zich niet vaccineren, tot het nationale vaccinatieprogramma tot een einde was gekomen, en hoe dan ook uiterlijk tot en met 31-12-2021. D.M. heeft beroep ingesteld en verzocht om weer in dienst te worden genomen omdat zij geen andere inkomsten uit arbeid had, en omdat zij wegens de schorsing geen andere werkzaamheden in de gezondheidssector kon uitoefenen, niet alleen in het kader van een arbeidsverhouding, maar ook in uitoefening van een vrij beroep. De Azienda Ospedale-Università di Padova heeft aangevoerd dat het beroep ongegrond is. Verzoekster voert aan dat zij ten onrechte is geschorst. Verzoekster voert zowel medische als juridische argumenten aan, waaronder het feit dat zij op natuurlijke wijze immuniteit tegen Covid heeft verworven, aangezien zij reeds besmet is geweest en is hersteld.

Overweging:

De verwijzende rechter stelt vast dat, hoewel partijen in het geding zich niet op verordening 2021/953 hebben beroepen, deze verordening relevant is voor het onderhavige geding, aangezien daarin is bepaald dat de beperkingen van het vrije verkeer van personen in verband met de Covid-pandemie moeten worden toegepast met inachtneming van de algemene Unierechtelijke beginselen van evenredigheid en non-discriminatie. In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat de regeling van artikel 4 van decreto-legge nr. 44/2021 discriminerende gevolgen kan hebben en aanleiding kan geven tot uitleggings- en toepassingsproblemen. Zo mag volgens de verwijzingsbeslissing enerzijds een gezondheidsmedewerker die niet kan worden gevaccineerd in de gezondheidssector blijven doorwerken, mits hij bepaalde veiligheidsmaatregelen in acht neemt, en mag anderzijds een gezondheidsmedewerker die weigert zich te laten vaccineren geen enkele activiteit in de gezondheidssector uitoefenen, zelfs indien hij bereid is die veiligheidsmaatregelen in acht te nemen. De verwijzende rechter verwijst vervolgens naar artikel 53 van wet nr. 234/2012, waarin is bepaald dat op Italiaanse staatsburgers geen Italiaanse rechtsregels of praktijken mogen worden toegepast die discriminerend zijn ten opzichte van de behandeling die in de Italiaanse rechtsorde aan staatsburgers van de Europese Unie wordt gegarandeerd. In die omstandigheden vraagt deze rechter zich af of het in verordening 2021/953 neergelegde evenredigheidsbeginsel in acht is genomen in het geval waarin Italië een vaccinatieplicht oplegt aan een gezondheidswerker uit een andere lidstaat die zich voor beroepsdoeleinden op Italiaans grondgebied bevindt.

Prejudiciële vragen:

1. Kunnen de voorwaardelijke vergunningen van de Commissie die op basis van een gunstig advies van het EMA zijn verleend voor de vaccins die thans in de handel zijn, nog steeds geldig worden geacht in de zin van artikel 4 van verordening nr. 507/2006, gelet op het feit dat in meerdere lidstaten [bijvoorbeeld in Italië, goedkeuring door de AIFA (Italiaans geneesmiddelenbureau) van het protocol voor de behandeling met monoklonale antilichamen en/of antivirale middelen)] doeltreffende alternatieve behandelingen voor SARS-CoV-2 zijn goedgekeurd die volgens verzoekster minder gevaar voor de menselijke gezondheid opleveren, mede tegen de achtergrond van de artikelen 3 en 35 van het Handvest van Nice?

2. Mogen in het geval van gezondheidswerkers die op grond van de wet van een lidstaat tot vaccinatie verplicht zijn, voor de verplichte vaccinatie de vaccins worden gebruikt waarvoor de Commissie overeenkomstig verordening nr. 507/2006 voorwaardelijke goedkeuring heeft verleend, zelfs indien deze gezondheidswerkers reeds besmet zijn geweest en dus een natuurlijke immuniteit hebben verworven, zodat zij kunnen verzoeken van de verplichting te worden vrijgesteld?

3. Mogen in het geval van gezondheidswerkers die op grond van de wet van een lidstaat tot vaccinatie verplicht zijn, voor de verplichte vaccinatie de vaccins worden gebruikt waarvoor de Commissie overeenkomstig verordening nr. 507/2006 voorwaardelijke goedkeuring heeft verleend, en dit zonder enige voorzorgsprocedure te volgen, of mogen deze gezondheidswerkers zich, gezien het voorwaardelijke karakter van de vergunning, tegen de vaccinatie verzetten, in elk geval tot de bevoegde gezondheidsautoriteit concreet en met redelijke zekerheid heeft vastgesteld dat, ten eerste, daartegen geen contra-indicaties bestaan en, ten tweede, de daaruit voortvloeiende voordelen groter zijn dan die van andere thans beschikbare geneesmiddelen? Moeten de verantwoordelijke gezondheidsautoriteiten in een dergelijk geval handelen in overeenstemming met artikel 41 van het Handvest van Nice?

4. Mag in het geval van het vaccin waarvoor de Commissie voorwaardelijke goedkeuring heeft verleend, het feit dat gezondheidswerkers die op grond van de wet van een lidstaat tot vaccinatie verplicht zijn zich eventueel niet laten vaccineren, automatisch tot gevolg hebben dat zij worden geschorst zonder salaris, of moet overeenkomstig het grondbeginsel van de evenredigheid worden voorzien in graduele sancties?

5. Moet, voor zover het nationale recht vormen van dépeçage toestaat, bij de beoordeling of het mogelijk is de werknemer op een alternatieve wijze in te zetten, deze werknemer worden gehoord overeenkomstig artikel 41 van het Handvest van Nice, met als gevolg dat hij, indien hij niet is gehoord, recht heeft op schadevergoeding?

6. Is een nationale regeling als die van artikel 4, lid 11, van decreto legge nr. 44/2021 – op grond waarvan een gezondheidswerker die is vrijgesteld van de vaccinatieplicht zijn werkzaamheden in contact met patiënten mag verrichten mits hij de wettelijk voorgeschreven veiligheidsmaatregelen in acht neemt, terwijl een zorgmedewerker als verzoekster, die zich zonder grondig medisch onderzoek niet wil laten vaccineren omdat zij door besmetting op natuurlijke wijze immuniteit heeft verworven, automatisch wordt geschorst zonder salaris – rechtmatig in het licht van verordening nr. 2021/953, die elke discriminatie verbiedt tussen gevaccineerde personen en personen die zich om medische redenen niet hebben willen of kunnen laten vaccineren?

7. Is de regeling van een lidstaat die het verplicht stelt om het COVID-vaccin – waarvoor de Commissie een voorwaardelijke vergunning heeft verleend – toe te dienen aan alle gezondheidswerkers, ook indien deze werkers afkomstig zijn uit een andere lidstaat en in Italië aanwezig zijn met het oog op de uitoefening van de vrijheid van dienstverrichting en de vrijheid van vestiging, verenigbaar met verordening nr. 2021/953 en de daarin vervatte beginselen van evenredigheid en non-discriminatie?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Amministrazione delle finanze dello Stato (C-106/77), (C-314/85), Zuckerfabrik Süderdithmarschen en Zuckerfabrik Soest/Hauptzollamt Itzehoe en Hauptzollamt Paderborn (C-143/88 en C-92/89), (C-342/17),  (C-573/17)

Specifiek beleidsterrein: VWS