C-772/21 Brinks Lithuania  

Contentverzamelaar

C-772/21 Brinks Lithuania  

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    23 februari 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    9 april 2022

Trefwoorden : minimumnormen, ECB, geldverwerker, eurobankbiljetten

Onderwerp :

-           Besluit ECB/2010/14 van de Europese Centrale Bank van 16 september 2010 inzake echtheids- en geschiktheidscontroles en het opnieuw in omloop brengen van eurobankbiljetten

-           Verordening (EG) nr. 1338/2001 van de Raad van 28 juni 2001 tot vaststelling van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 44/2009 van de Raad van 18 december 2008

Feiten:

Het hoofdgeding betreft een geschil tussen „Brink’s Lithuania” UAB (verzoekster) en de Bank van Litouwen (de andere partij in hogere voorziening) en heeft betrekking op het besluit van de directeur van de afdeling contanten van de Bank van Litouwen van 28-02-2019 (besluit) waarin verzoekster wordt gelast een einde te maken aan een inbreuk, dat wil zeggen ervoor te zorgen dat het tolerantieniveau voor geschiktheid bij geautomatiseerde controle van eurobankbiljetten die met behulp van de door verzoekster gebruikte bankbiljettensorteermachines opnieuw in omloop moeten worden gebracht, het door de ECB vastgestelde tolerantieniveau van 5 % niet overschrijdt. Uit de op 18-12-2018 bij verzoekster verrichte inspectie bleek dat machine 1 18,26 % van de in het testpakket aanwezige ongeschikte biljetten als geschikt voor circulatie had gesorteerd en dat machine 2 13,91 % van die bankbiljetten als geschikt voor circulatie had gesorteerd. Verzoekster heeft aangegeven dat de eurobankbiljetten die bij de inspectie werden gesorteerd, bestemd waren om opnieuw in omloop te worden gebracht en heeft gesteld dat de machines niet met de standaard fabrieksinstellingen, maar met minder restrictieve instellingen voor geschiktheidssortering, waren getest. In onderhavige zaak leggen verzoekster en de andere partij in hogere voorziening artikel 6, lid 2, van besluit ECB/2010/14 verschillend uit. Laatstgenoemde betoogt dat die wettelijke bepaling moet worden uitgelegd als een verplichting voor een geldverwerker om bij het verrichten van de geautomatiseerde geschiktheidscontrole van eurobankbiljetten te voldoen aan de op de website van de ECB bekendgemaakte minimumnormen. Verzoekster betoogt dat deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat een geldverwerker bij de geautomatiseerde geschiktheidscontrole van eurobankbiljetten gebruik moet maken van bankbiljettensorteermachines die zijn getest en goedgekeurd

overeenkomstig de op de website van de ECB bekendgemaakte minimumnormen.

Overweging:

In casu wordt opgekomen tegen de beslissing waarbij artikel 6, lid 2, van besluit ECB/2010/14 en de minimumnormen zijn toegepast. Uit de beoordeling van de betrokken kamer van de hoogste bestuursrechter van Litouwen komt, gelet op artikel 13, lid 2, en artikel 3, lid 1, van besluit ECB/2010/14, naar voren dat die beslissing rechtstreekse werking heeft. In het geding rijst de vraag of artikel 6, lid 2, van besluit ECB/2010/14 van toepassing is op een geldverwerker. Indien dit niet het geval is, doet zich de vraag voor of artikel 6, lid 2, van besluit ECB/2010/14, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 5, ervan, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale bepaling volgens welke de verplichting om die minimumnormen na te leven wel geldt voor een geldverwerker. De betrokken kamer twijfelt ook aan het bindende karakter van de minimumnormen en aan de geldigheid van artikel 6, lid 2, van besluit ECB/2010/14.

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 6, lid 2, van besluit ECB/2010/14 aldus worden uitgelegd dat een geldverwerker die geautomatiseerde geschiktheidscontroles van eurobankbiljetten uitvoert, de in die bepaling genoemde minimumnormen in acht moet nemen?

2. Indien de in artikel 6, lid 2, van besluit ECB/2010/14 bedoelde minimumnormen overeenkomstig dat artikel alleen van toepassing zijn op fabrikanten van bankbiljettensorteermachines (maar niet op geldverwerkers), moet artikel 6, lid 2, van besluit ECB/2010/14 gelezen in samenhang met artikel 3, lid 5, ervan dan aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale bepaling volgens welke de verplichting om deze minimumnormen in acht te nemen wel geldt voor een geldverwerker?

3. Zijn de minimumnormen inzake de geautomatiseerde geschiktheidscontrole van eurobankbiljetten door bankbiljettensorteermachines − die op de website van de ECB worden bekendgemaakt − in overeenstemming met het rechtszekerheidsbeginsel en met artikel 297, lid 2, VWEU en zijn zij bindend voor en kunnen zij worden vertrouwd door geldverwerkers?

4. Schendt artikel 6, lid 2, van besluit ECB/2010/14, voor zover daarin is bepaald dat de minimumnormen voor de geautomatiseerde geschiktheidscontrole van eurobankbiljetten op de ECB-website worden bekendgemaakt en van tijd tot tijd worden gewijzigd het rechtszekerheidsbeginsel en artikel 297, lid 2, VWEU en is het derhalve ongeldig?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Fédération bancaire française (C-911/19), Roemenië/Commissie (C-599/15 P), België/Commissie (C-16/16 P), Italië/Commissie (T-358/11), Italië/Commissie (T-308/05), Polen/Commissie (T-4/06), Skoma-Lux sro (C-161/06)

Specifiek beleidsterrein: FIN