C-775/21 Blue Air Aviation e.a. 

Contentverzamelaar

C-775/21 Blue Air Aviation e.a. 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    7 maart 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    21 april 2022

Trefwoorden : auteursrecht, geluidsinstallatie, vliegtuigen, winstoogmerk

Onderwerp :

Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij

Feiten:

Op 22-04-2015 heeft Blue Air de Roemeense Unie van componisten en musicologen – Vereniging voor auteursrechten van componisten (UCMR – ADA) geïnformeerd dat zij 14 vliegtuigen bezit waarin achtergrondmuziek aan het publiek zou worden meegedeeld, en heeft daarvoor een vergunning/licentie aangevraagd. Naar aanleiding van deze aanvraag zijn partijen een niet-exclusieve licentie overeengekomen voor het gebruik van muzikale werken als achtergrondmuziek in 14 vliegtuigen, tegen een maandelijkse vergoeding. Op 02-03-2018 heeft UCMR – ADA bij de Tribunal București een vordering inzake betaling van vergoedingen ingesteld tegen Blue Air met het betoog dat, hoewel voor een deel van de vliegtuigen van Blue Air een niet-exclusieve vergunning/licentie is verleend, Blue Air muzikale werken aan het publiek meedeelt in meer vliegtuigen dan waarvoor de niet-exclusieve licentie overeenkomstig de wet is verleend, zodat die mededeling ongeoorloofd is en daarvoor schadevergoeding moet worden betaald. De Tribunal București heeft de vordering toegewezen met als motivering dat het uitrusten van de vervoersmiddelen met apparaten waarmee de muzikale werken als achtergrondmuziek kunnen worden meegedeeld aan het publiek een eenvoudig vermoeden van gebruik doet ontstaan, zodat moet worden geconcludeerd dat elk vliegtuig met een geluidsinstallatie gebruik maakt van het aangegeven apparaat voor mededeling aan het publiek. Met haar hoger beroep bestrijdt Blue Air dit vonnis. Volgens haar is er in de eerste plaats geen bewijs dat in de vliegtuigen waarnaar het bestreden vonnis verwijst muzikale werken aan het publiek zijn meegedeeld. Blue Air betoogt in het bijzonder dat de aanwezigheid van een geluidsinstallatie binnen de vliegtuigen verplicht is om veiligheidsredenen en dat de loutere aanwezigheid van die installatie niet gelijkstaat aan een daadwerkelijke mededeling.

Overweging:

In de opzet van het hogere beroep dat aan de verwijzende rechter voorligt is eerst een feitelijk vraagstuk aan de orde, namelijk of de mededeling aan het publiek, waarvan volgens Blue Air geen sprake is, al of niet bewezen kan worden geacht. Slechts als het antwoord bevestigend is, rijst een volgende rechtsvraag, namelijk of de mededeling van een muziekstuk als achtergrondmuziek in het vliegtuig een mededeling aan het publiek is in de zin van de auteursrechtrichtlijn, in het bijzonder ten aanzien van het criterium dat de mededeling een winstoogmerk moet hebben. In casu is het zeer twijfelachtig of de mededeling een winstoogmerk heeft, wanneer in de gehele passagierscabine achtergrondmuziek wordt geboden bij het opstijgen, landen of op een bepaald moment tijdens de vlucht. In dat geval kan moeilijk worden verondersteld dat een mogelijke klant kiest voor een bepaalde luchtvaartmaatschappij in de hoop dat hij in bepaalde tijdvakken van de vlucht naar muziek kan luisteren, omdat voor het kiezen van een vlucht andere criteria relevant zijn. Verder moet naar het oordeel van de verwijzende rechter het antwoord op de tweede en derde vraag ontkennend zijn. De Curte de Apel geeft aan dat het uitrusten van de vliegtuigen van Blue Air met een geluidssysteem en zelfs met software waarmee achtergrondmuziek kan worden meegedeeld in de gehele passagierscabine niet kan worden gelijkgesteld met een mededeling aan het publiek en onvoldoende grond vormt voor een weerlegbaar vermoeden van mededeling aan het publiek van muzikale werken aan boord van het betrokken vliegtuig, als er geen andere overeenkomende en overtuigende bewijzen en aanwijzingen bestaan waaruit die mededeling blijkt.

Prejudiciële vragen:

1) Moet artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij aldus worden uitgelegd dat het binnen een vliegtuig in het kader van een commerciële passagiersvlucht verspreiden van een muzikaal werk of fragment daarvan bij het opstijgen, landen of tijdens de vlucht, via de algemene geluidsinstallatie van het vliegtuig, een mededeling aan het publiek is in de zin van dat artikel, in het bijzonder (maar niet uitsluitend) gelet op het criterium dat de mededeling een winstoogmerk heeft?

Voor het geval dat de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

2) Is de aanwezigheid van een krachtens de regels inzake de luchtverkeersveiligheid verplicht gestelde geluidsinstallatie aan boord van het vliegtuig voldoende grond voor een weerlegbaar vermoeden dat in dat vliegtuig muzikale werken aan het publiek worden meegedeeld?

Voor het geval dat deze vraag ontkennend wordt beantwoord:

3) Is de aanwezigheid van een krachtens de luchtverkeersveiligheidsregels verplicht gestelde geluidsinstallatie en software waarmee fonogrammen (die beschermde muzikale werken bevatten) kunnen worden meegedeeld via die installatie aan boord van het vliegtuig voldoende grond voor een weerlegbaar vermoeden dat in dat vliegtuig muzikale werken aan het publiek worden meegedeeld?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Football Association Premier League e.a. (C-403/08 en C-429/08), SGAE (C-306/05), SCF (C-135/10), Reha Training (C-117/15), Phonographic Performance (Ireland) (C-162/10),

Specifiek beleidsterrein: JenV, EZK