C-778/18 Association française des usagers de banques

Contentverzamelaar

C-778/18 Association française des usagers de banques

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 07 januari 2019

Schriftelijke opmerkingen: 24 maart 2019

Trefwoorden : banken; consumenten

Onderwerp :

- Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt tot wijziging van de Richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van Richtlijn 97/5/EG;

- Richtlijn 2014/17/ Е U van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010;

- Richtlijn 2014/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de vergelijkbaarheid van de in verband met betaalrekeningen aangerekende vergoedingen, het overstappen naar een andere betaalrekening en de toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties;

- Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG;

 

Feiten:

Verzoeker (Franse vereniging van gebruikers van banken) heeft de hoogste bestuursrechter van Frankrijk verzocht om nietigverklaring van decreet 2017-1099 (inzake de duur van de verplichting voor de kredietnemer om zijn inkomsten automatisch te laten incasseren). Artikel L. 313-25-1 van de consumentenwetboek bepaalt dat kredietgevers met hun cliënten overeen kunnen komen dat de cliënt zijn loon/inkomsten automatisch laat incasseren in ruil voor een geïndividualiseerd voordeel. In het bestreden besluit wordt bepaald dat de duur van die periode niet langer mag zijn dan tien jaar, of de duur van de kredietovereenkomst niet mag overschrijden, indien die korter is. De niet-naleving van die verbintenis vóór afloop van deze periode leidt tot het verlies van het geïndividualiseerde voordeel.

Verzoeker stelt dat de beschikking ter uitvoering waarvan het decreet is vastgesteld, indruist tegen de doelstelling van de richtlijnen om de bancaire mobiliteit te stimuleren. De kredietinstellingen worden namelijk toegestaan het bancaire automatische incasso vergezeld te doen gaan van voordelen. Bij het verzaken aan die voordelen worden de cliënten opgezadeld met buitensporig hoge kosten die de bancaire mobiliteit belemmeren. Verder stelt verzoeker dat het bestreden decreet de bancaire mobiliteit niet stimuleert door de maximumduur vast te stellen op tien jaar.

 

Overweging:

De kernvraag is of de nationale bepalingen wel stroken met het Unierecht en de doelstellingen van richtlijn 2014/17 en richtlijn 2007/64. Verzetten de richtlijnbepalingen zich ertegen dat de opheffing van een rekening – die door de cliënt is geopend bij de kredietgever om zijn inkomsten automatisch te laten incasseren – vóór afloop van de bepaalde periode tot het verlies van dat voordeel leidt, ook meer dan een jaar nadat de rekening is geopend? Verzetten deze bepalingen zich tegen het feit dat de duur van deze periode tien jaar kan bedragen of even lang kan zijn als de totale duur van het krediet? Deze vragen zijn beslissend voor de beslechting van het aanhangige geding en zijn moeilijk te beantwoorden. Daarom worden zij voorgelegd aan het Hof.

 

Prejudiciële vragen:

1. Staat artikel 12, lid 2, onder a), van richtlijn 2014/17/EU van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen, met name gelet op de doelstelling die door deze bepaling wordt gekoppeld aan de betaal- of spaarrekening die volgens haar mag worden geopend of aangehouden, of lid 3 van hetzelfde artikel toe dat de kredietgever de kredietnemer verplicht om in ruil voor een geïndividualiseerd voordeel al zijn looninkomsten of daarmee gelijkgestelde inkomsten automatisch te laten incasseren op een betaalrekening voor een op basis van de leningsovereenkomst bepaalde duur, ongeacht het bedrag, de aflossingstermijnen en de duur van de lening, en dat de aldus bepaalde duur tien jaar kan bedragen of even lang kan zijn als de duur van de overeenkomst, indien die korter is?

2. Staan artikel 45 van richtlijn 2007/64/EG van 13 november 2007, dat destijds van toepassing was en thans is vervat in artikel 55 van richtlijn (EU) 2015/2366 van 25 november 2015, en de artikelen 9 tot en met 14 van richtlijn 2014/92/EU van 23 juli 2014, die betrekking hebben op het stimuleren van de bancaire mobiliteit en op de vergoedingen voor opheffing van een betaalrekening, eraan in de weg dat de opheffing van een rekening – die, in het kader van een kredietovereenkomst, door de kredietnemer is geopend bij de kredietgever om in ruil voor een geïndividualiseerd voordeel zijn inkomsten automatisch te laten incasseren op die rekening – vóór afloop van de in die overeenkomst bepaalde periode tot het verlies van dat voordeel leidt, ook meer dan een jaar nadat de rekening is geopend, en verzetten dezelfde bepalingen zich ertegen dat de duur van deze periode tien jaar kan bedragen of even lang kan zijn als de totale duur van het krediet?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: /

Specifiek beleidsterrein: FIN; EZK

​​​​​​​