C-782/22 XX 

Contentverzamelaar

C-782/22 XX 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    22 maart 2023
Schriftelijke opmerkingen:                    8 mei 2023

Trefwoorden: vennootschappen, beleggingen, dividendbelasting,

Onderwerp: artikel 63, lid 1, VWEU

Feiten:

Belanghebbende is een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap. De enige aandeelhouder van belanghebbende is een in de Verenigde Staten van Amerika gevestigde, beursgenoteerde, vennootschap. Belanghebbende is in het Verenigd Koninkrijk geregistreerd als verzekeringsmaatschappij. Zij sluit - vrijwel uitsluitend met in het Verenigd Koninkrijk gevestigde institutionele pensioenverzekeraars en werkgevers (cliënten) - overeenkomsten die worden aangeduid als "unit-linked polissen”. De overeenkomsten tussen belanghebbende en de cliënten hebben de juridische vorm (naar het recht van het Verenigd Koninkrijk) van een verzekeringsovereenkomst, hoewel die overeenkomsten geen verzekeringsrisico omvatten. De overeenkomsten tussen belanghebbende en de cliënten strekken (slechts) ertoe dat belanghebbende de van de cliënten ontvangen premiebedragen belegt teneinde beleggingsrendementen te genereren. Het (pensioen)verzekeringsrisico ten aanzien van tussen de cliënten en derden gesloten pensioenovereenkomsten berust bij de cliënten. Cliënten kunnen kiezen uit verschillende effectenmandjes waarin zij kunnen deelnemen. In die mandjes zijn bepaalde beleggingen gebundeld met, bijvoorbeeld, differentiaties naar (beleggingen in) bepaalde sectoren. Bij de bepaling van de aard van de beleggingen wordt rekening gehouden met de vooraf met de cliënten afgesproken risicoprofielen. Tot de mandjes behoren in de onderhavige jaren aandelen in het kapitaal van in Nederland

gevestigde vennootschappen. Op de dividenden die door deze vennootschappen zijn uitgekeerd is - per saldo - 15 percent Nederlandse dividendbelasting ingehouden. Belanghebbende is in het Verenigd Koninkrijk onderworpen aan de heffing van winstbelasting. Zij kan in het Verenigd Koninkrijk geen aanspraak maken op verrekening van door Nederland geheven dividendbelasting.

Overweging:

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van de  dividendbelasting ter zake van de door haar ontvangen dividenden. Het hof is van oordeel dat belanghebbende de opbrengstgerechtigde en de uiteindelijk gerechtigde is tot de dividenden ter zake waarvan de onderhavige dividendbelasting is geheven. De cliënten van belanghebbende hebben slechts een recht dat is afgeleid van de waarde van vermogensrechten waarin belanghebbende belegt. Zij kunnen in juridische noch economische zin als rechthebbende van de onderliggende vermogensrechten, waaronder aandelen, worden aangemerkt en evenmin als opbrengstgerechtigde zoals bedoeld in artikel 1, lid 1, Wet op de dividendbelasting 1965. Gelet op het voorgaande moet de derde deelvraag van het geschil worden beantwoord, namelijk de vraag of de heffing van dividendbelasting van belanghebbende heeft geleid tot een zwaardere belastingheffing ten opzichte van die waaraan belanghebbende zou zijn onderworpen indien zij in Nederland gevestigd zou zijn geweest. Het hof ziet zich geconfronteerd met de  vraag hoe moet worden beoordeeld welke kosten, als rechtstreeks verband houdend met dividenden, in aanmerking moeten worden genomen bij de vergelijking van een niet-ingezeten belastingplichtige met een ingezeten belastingplichtige, in de context van de voorliggende zaak. Volledigheidshalve herhaalt het hof dat het aan die vraag toekomt, omdat de nationaalrechtelijke (voor)vragen inzake opbrengstgerechtigdheid en uiteindelijk gerechtigdheid in het voordeel van belanghebbende zo moeten worden beantwoord dat belanghebbende de opbrengstgerechtigde en de uiteindelijke gerechtigde tot de Nederlandse dividenden is en belanghebbende niet vergelijkbaar is met een pensioenlichaam dat in Nederland subjectief is vrijgesteld van vennootschapsbelasting en daardoor recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting.

Prejudiciële vraag:

Verzet artikel 63, lid 1, VWEU zich tegen een wettelijke regeling als de onderhavige, volgens welke dividenduitkeringen door in Nederland gevestigde (beurs)vennootschappen aan een in een andere lidstaat gevestigde vennootschap, die ter dekking van toekomstige betalingsverplichtingen onder andere in aandelen in die (beurs)vennootschappen heeft belegd, zijn onderworpen aan een bronbelasting naar een tarief van 15% over het brutobedrag van die dividenduitkeringen, terwijl de belastingdruk op dividenduitkeringen aan een in Nederland gevestigde vennootschap in overigens gelijke omstandigheden nihil zou bedragen, omdat bij de berekening van de belastinggrondslag voor de winstbelasting waaraan die laatstbedoelde vennootschap zou zijn onderworpen rekening wordt gehouden met de kosten die worden opgeroepen door een toename van de toekomstige betalingsverplichtingen van de vennootschap, welke toename vrijwel geheel correspondeert met een (positieve) wijziging in de waarde van de beleggingen, ook al leidt de ontvangst van dividend als zodanig niet tot een wijziging in de waarde van die verplichtingen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Commission v Finland (C-342/10), College Pension Plan of British Columbia (C-641/17), (C-10/14), Futura Paricipations en Singer (C-250/95), Centro Equestre da Leziria Grande (C-345/04), Gerritse (C-234/01), FKP Scorpio Konzertproduktionen (C-290/04), (C-18/15), (C-450/09), (C-559/13), (C-265/04), Commissie/Duitsland (C-600/10), (C-575/17), Pensioenfonds Metaal en Techniek (C-252/14)

Specifiek beleidsterrein: EZK, FIN