C-805/21 ZhU 

Contentverzamelaar

C-805/21 ZhU 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    16 februari 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    2 april 2022

Trefwoorden : motorvoertuig, accijnsgoederen, strafbare feiten

Onderwerp :

-           Richtlijn 2014/42/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie

-           Kaderbesluit 2005/212/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de confiscatie van opbrengsten van misdrijven, alsmede van de daarbij gebruikte hulpmiddelen en de door middel daarvan verkregen voorwerpen

Feiten:

Het gespecialiseerd openbaar ministerie (OM) heeft tegen tien personen een aanklacht ingediend wegens het leiden van en het deelnemen aan een criminele organisatie die tot doel heeft zich te verrijken door het plegen van strafbare feiten als bedoeld in de artikelen 234 en 242 NK, namelijk het invoeren van sigaretten zonder accijnszegel van Griekenland naar Bulgarije en het vervolgens in het bezit hebben van deze sigaretten in het land. Het OM wijst er met name op dat GM aan ZhU voorstelde om zich aan te sluiten bij de criminele organisatie en dat deze laatste daarmee instemde; hij stemde ermee in om de sigaretten van Griekenland naar Bulgarije te vervoeren. Hij heeft er mee ingestemd dat een Iveco-vrachtwagen met oplegger op zijn naam werd gekocht, met het geld dat zou worden verstrekt door DB, een ander vermeend lid van de criminele organisatie. Op 24-02-2011, toen ZhU de vrachtwagen stopte voor een pauze op weg naar zijn eindbestemming, werd hij gearresteerd en werden de sigaretten zonder accijnszegels in beslag genomen. De openbaar aanklager verklaart verder dat RD de eigenaar is van een vrachtwagen van het merk Mercedes die op 17-02-2011 is gekocht. Op 25-02-2011 bevonden zich ook in deze vrachtwagen sigaretten zonder accijnszegels. De openbaar aanklager stelt dat de Iveco-vrachtwagen speciaal voor de behoeften van de criminele organisatie is gekocht. Het aanschaffen ervan zou derhalve kunnen worden beschouwd als een vorm van deelneming aan die criminele organisatie in de zin van artikel 2, onder a), van kaderbesluit 2008/841. Het is daarbij echter niet duidelijk of deze vrachtwagen een hulpmiddel is in het geval van deelneming aan een criminele organisatie in de zin van artikel 2, lid 3, van richtlijn 2014/42.

Overweging:

In het eerste geval werd de vrachtwagen gebruikt voor het vervoer van de sigaretten en voor de opslag ervan tijdens het vervoer, in het tweede geval alleen voor de opslag van de sigaretten, aangezien het OM niet stelt dat zij zijn vervoerd. De vraag rijst of de vrachtwagens in deze twee gevallen zijn gebruikt als middel om het strafbare feit te plegen in de zin van artikel 2, lid 3, van richtlijn 2014/42. In het bijzonder rijst de vraag of de omstandigheid dat het nationale recht het vervoer van sigaretten zonder accijnszegels niet strafbaar stelt, maar wel het bezit ervan, tot de conclusie leidt dat de vrachtwagen, indien daarin de sigaretten zonder accijnszegels zijn opgeslagen, geen hulpmiddel is, ongeacht of hij al dan niet voor het vervoer wordt gebruikt. Mocht het Hof tot de conclusie komen dat de vrachtwagens als hulpmiddelen kunnen worden aangemerkt, dan dient de rechter op grond van artikel 53, lid 1, onder a), NK te beslissen over de eventuele confiscatie ervan ten gunste van de  staat. Het antwoord van het Hof zal de verwijzende rechter dus van nut zijn om te weten (1) of de kwestie van de confiscatie van de twee vrachtwagens deel moet uitmaken van het voorwerp van het geding en of daarover een rechterlijke beslissing moet worden gegeven, en ook om (2) de betrokkenen in de gelegenheid te stellen zich over deze confiscatie uit te spreken, hetgeen veronderstelt dat zij vooraf over hun rechten worden ingelicht en dat zij aan de procedure kunnen deelnemen.

Prejudiciële vraag:

Is het verenigbaar met artikel 2, punt 3, van richtlijn 2014/42 of, subsidiair, met artikel 1, derde streepje, van kaderbesluit 2005/212 om het nationale recht aldus uit te leggen dat een motorvoertuig dat wordt gebruikt voor de opslag van grote hoeveelheden accijnsgoederen (sigaretten) zonder accijnszegel, geen bij een strafbaar feit gebruikt hulpmiddel is?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-393/19)

Specifiek beleidsterrein: JenV