C-817/21 Inspectia Judiciara

Contentverzamelaar

C-817/21 Inspectia Judiciara

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    21 februari 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    7 april 2022

Trefwoorden : onafhankelijkheid en onpartijdigheid, gerechtelijke inspecteurs, tuchtrechtelijk onderzoek

Onderwerp :

Beschikking 2006/928 van de Commissie van 13 december 2006 tot vaststelling van een mechanisme voor samenwerking en toetsing van de vooruitgang in Roemenië ten aanzien van specifieke ijkpunten op het gebied van de hervorming van het justitiële stelsel en de bestrijding van corruptie

Feiten:

De verwerende partij Inspecția Judiciară is een structuur met rechtspersoonlijkheid binnen de CSM met bevoegdheden op het gebied van tuchtrechtelijk onderzoek betreffende magistraten. Zij staat onder leiding van een hoofdinspecteur, de verwerende partij N.L., die wordt bijgestaan door een door hem benoemde adjunct-hoofdinspecteur, aanklager P.M. De rechtmatigheid van de benoeming van N.L. als hoofdinspecteur voor de periode van 01-09-2018 tot en met 14-05-2019 werd betwist in een aantal zaken die hebben geleid tot het arrest Asociația „Forumul Judecătorilor din România”. Verzoeker is partij bij meerdere strafprocedures die zich in de fase van vooronderzoek of afdoening bevinden. In deze context heeft hij meerdere klachten ingediend tegen rechters en aanklagers, omdat hij van mening is dat hij door hun rechterlijke werkzaamheden is benadeeld. De gerechtelijk inspecteurs hebben op die klachten beslist, en enkele van die besluiten zijn goedgekeurd of bevestigd door N.L. Tegen één besluit daarvan heeft verzoeker bestuursrechtelijk beroep ingesteld. Bij arrest van 27-09-2019 van de  Roemeense bestuursrechter in eerste aanleg, dat in kracht van gewijsde is gegaan, is dit beroep toegewezen en is geoordeeld dat de Inspecția Judiciară nadere controles moest uitvoeren. In de motivering van dat arrest is in essentie geoordeeld dat de Inspecția Judiciară de door verzoeker aangehaalde aspecten niet daadwerkelijk had onderzocht. In een aan het ministerie van Justitie gerichte memorie van 29-11-2019 verwijt verzoeker de Inspecția Judiciară, en met name N.L., dat zij zijn grondwettelijke en procedurele rechten hebben geschonden.

Overweging:

Om te beginnen wijst de verwijzende rechter erop dat bij de analyse van het onderhavige beroep uitsluitend wordt nagegaan of er tuchtrechtelijke overtredingen zijn begaan, hetgeen inhoudt dat een summier onderzoek wordt verricht, op het eerste gezicht op basis van een minimum aan bewijs. Vervolgens merkt deze rechter op dat verzoeker tevens de rechtmatigheid betwist van de bij de vaststelling van de litigieuze besluiten gevolgde procedure en de organisatie en de werking van de Inspecția Judiciară ter discussie stelt, omdat de gerechtelijk inspecteurs die ten aanzien van de hoofdinspecteur tuchtrechtelijke besluiten kunnen vaststellen, goedkeuren of weerleggen door diezelfde

hoofdinspecteur zijn geselecteerd en worden beoordeeld, en inspectiewerkzaamheden verrichten op basis van een institutioneel kader waarin aan de hoofdinspecteur de bevoegdheid is toegekend om bestuurshandelingen van normatieve en individuele aard vast te stellen. Onder verwijzing naar het arrest Asociaţie „Forumul Judecătorilor din România” verklaart de verwijzende rechter dat de wijze waarop de organisatie en de werking van een rechterlijke instantie zijn geregeld volgens het Hof verband houdt met de duur van de procedures voor die instantie. In de onderhavige zaak is een andere rechtsvraag aan de orde, aangezien de werkzaamheden van de betrokken instellingen een ander voorwerp hebben; de door verzoeker aangevoerde omstandigheden houden onder andere namelijk verband met de discretionaire bevoegdheid van de hoofdinspecteur om normatieve besluiten vast te stellen inzake de organisatie en de werking van de Inspecția Judiciară. Daarom rijst de vraag hoe solide een systeem van waarborgen is dat grotendeels is gebaseerd op bestuurshandelingen van normatieve aard die eenzijdig worden vastgesteld door een persoon die de functie van hoofdinspecteur vervult, wanneer juist tegen die persoon een disciplinaire klacht kan worden ingediend.

Prejudiciële vraag:

Moeten artikel 2 en artikel 19, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, beschikking 2006/928 (tot vaststelling van een mechanisme voor samenwerking en toetsing van de vooruitgang in Roemenië ten aanzien van specifieke ijkpunten op het gebied van de hervorming van het justitiële stelsel en de bestrijding van corruptie), alsmede de op grond van het Unierecht vereiste waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling volgens welke de hoofdinspecteur van de gerechtelijke inspectie bestuurshandelingen van normatieve (aan de wet ondergeschikte) en/of individuele aard kan vaststellen waarbij hij zelfstandig beslist over de organisatie van het institutionele kader van de gerechtelijke inspectie voor de selectie van gerechtelijke inspecteurs en de beoordeling van hun werkzaamheden, de verrichting van inspectiewerkzaamheden en de benoeming van de adjunct-hoofdinspecteur, indien deze personen volgens de organieke wet de enigen zijn die besluiten tot tuchtrechtelijk onderzoek tegen de hoofdinspecteur kunnen vaststellen, goedkeuren of weerleggen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: W.Z. (C-487/19), (C-83/19, C-127/19, C-195/19, C-291/19, C-355/19 en C-397/19)

Specifiek beleidsterrein: JenV