C-819/21 Staatsanwaltschaft Aachen 

Contentverzamelaar

C-819/21 Staatsanwaltschaft Aachen 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    30 maart 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    16 mei 2022

Trefwoorden : EAB, het beginsel van de rechtsstaat, eerlijk proces

Onderwerp :

-           Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie

-           Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten

Feiten:

De Poolse staatsburger M.D. heeft zijn gewone verblijfplaats in Duitsland. De Sąd Rejonowy Szczecin-Prawobrzeże (rechter in eerste aanleg, Polen) heeft M.D. op 07-08-2018 veroordeeld tot een vrijheidsstraf van zes maanden, waarvan de tenuitvoerlegging werd opgeschort. M.D. was niet aanwezig bij de terechtzitting op 07-08-2018. Volgens de Sąd Okregowy Szczecin (rechter in tweede aanleg, Polen) is de oproeping voor deze terechtzitting verzonden naar het adres van M.D. in Pyrzyce (Polen), dat hij tijdens het vooronderzoek had opgegeven. Op 17-12-2020 heeft het bureau van de procureur-generaal Keulen besloten om M.D. niet uit te leveren, ondanks het Europees aanhoudingsbevel van de Sąd Okregowy Szczecin van 13-08-2020, op grond dat hij zijn gewone verblijfplaats in Duitsland heeft en zich tegen de uitlevering heeft verzet.

Overweging:

De verwijzende rechter komt op basis van de uiteengezette rechtspraak en de maatregelen van de Commissie tot de conclusie dat objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de werking van het Poolse justitiële apparaat erop wijzen dat de omstandigheden in het Poolse justitiële apparaat ten tijde van de uitspraak van de rechter in eerste aanleg en de beschikking van  deze rechterlijke instantie onverenigbaar waren met het grondrecht van M.D. op een eerlijk proces krachtens artikel 47, tweede alinea, van het Handvest. De vraag is dus of de op grond van artikel 3, lid 4, van kaderbesluit 2008/909 te nemen beslissing of het justitiële apparaat in Polen functioneerde volgens het beginsel van de rechtsstaat als bedoeld in artikel 2 VEU, en of het grondrecht van M.D. op een eerlijk proces werd gewaarborgd, berust bij de rechter van een lidstaat, die wordt verzocht zich uit te spreken over de uitvoerbaarverklaring, dan wel of het hierbij gaat om een vraag aangaande de ,,uitlegging van de Verdragen”, waarvoor enkel het Hof bevoegd is. Met betrekking tot de tweede vraag, bestaan er volgens de verwijzende rechter ten tijde van de verwijzing naar het Hof objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de werking van het gerechtelijk apparaat in Polen, waaruit blijkt dat de omstandigheden binnen dat apparaat ten gevolge van verschillende maatregelen in het kader van de zogenoemde „hervormingen van de rechterlijke macht” onverenigbaar zijn met het als gemeenschappelijke waarde in artikel 2 VEU verankerde beginsel van de rechtsstaat. In dat verband rijst de vraag of de beslissing of Polen de in artikel 2 VEU verankerde waarde van de rechtsstaat niet (of niet langer) eerbiedigt en derhalve de uit de toepassing van de Verdragen op haar voortvloeiende rechten verliest, kan worden genomen door de rechterlijke instanties van de lidstaten, dan wel uitsluitend aan het Hof toekomt. Ten slotte verwijst de verwijzende rechter naar het arrest van het Hof van 25-07-2018, Minister for Justice and Equality  (C-216/18 PPU), waarin het Hof de verplichting om te beoordelen of er sprake is van een specifieke schending of bedreiging van de grondrechten met betrekking tot het Europees aanhoudingsbevel heeft gerechtvaardigd door te verwijzen naar de bewoordingen van overweging 10 van kaderbesluit 2002/584, waarin de exclusieve beslissingsbevoegdheid betreffende de opschorting van de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel is toebedeeld aan de Europese Raad. Kaderbesluit 2008/909 bevat echter geen vergelijkbare regeling. Bijgevolg rijst de vraag of ook in het onderhavige geval dient te worden beoordeeld of M.D. ingevolge zijn veroordeling door de rechter een reëel gevaar liep dat zijn grondrecht op een onafhankelijke rechter zou worden geschonden en dat derhalve zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zou worden aangetast.

Prejudiciële vragen:

1. Kan de rechter van de tenuitvoerleggingslidstaat, die is aangezocht om uitspraak te doen over de verklaring van uitvoerbaarheid, op grond van artikel 3, lid 4, van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 juncto artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie weigeren om het vonnis van een andere lidstaat te erkennen en de bij dat vonnis opgelegde sanctie ten uitvoer te  leggen overeenkomstig artikel 8 van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008, wanneer er aanwijzingen bestaan dat de omstandigheden in deze lidstaat ten tijde van de vaststelling van de ten uitvoer te leggen beslissing of de daarmee samenhangende latere beslissingen onverenigbaar zijn met het grondrecht op een eerlijk proces, omdat het justitiële apparaat zelf in die lidstaat niet langer volgens het in artikel 2 VEU verankerde beginsel van de rechtsstaat functioneert?

2. Kan de rechter van de tenuitvoerleggingslidstaat, die is aangezocht om uitspraak te doen over de verklaring van uitvoerbaarheid, op grond van artikel 3, lid 4, van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 juncto het in artikel 2 VEU verankerde beginsel van de rechtsstaat weigeren om het vonnis van een andere lidstaat te erkennen en de bij dat vonnis opgelegde sanctie ten uitvoer te leggen overeenkomstig artikel 8 van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008, wanneer er aanwijzingen bestaan dat het justitiële apparaat in deze lidstaat ten tijde van de uitspraak over de verklaring van uitvoerbaarheid niet langer volgens het in artikel 2 VEU neergelegde beginsel van de rechtsstaat functioneert?

3. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: moet – vooraleer de erkenning van een vonnis van een rechter van een andere lidstaat en de tenuitvoerlegging van de bij dat vonnis opgelegde sanctie wordt geweigerd onder verwijzing naar artikel 3, lid 4, van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 juncto artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, op grond dat er aanwijzingen bestaan dat de omstandigheden in deze lidstaat onverenigbaar zijn met het grondrecht op een eerlijk proces, omdat het justitiële apparaat zelf in die lidstaat niet langer volgens het beginsel van de rechtsstaat functioneert – als tweede stap worden nagegaan of met name de veroordeelde(n) in de betrokken procedure nadelige gevolgen heeft (hebben) ondervonden van de met het grondrecht op een eerlijk proces onverenigbare omstandigheden?

4. Indien de eerste en/of de tweede vraag ontkennend worden/wordt beantwoord in die zin dat het niet aan de rechterlijke instanties van de lidstaten, maar aan het Hof van Justitie van de Europese Unie staat om te beslissen of de omstandigheden in een lidstaat onverenigbaar zijn met het grondrecht op een eerlijk proces, omdat het justitiële apparaat zelf in deze lidstaat niet langer volgens het beginsel van de rechtsstaat functioneert:  was het justitiële apparaat in de Republiek Polen op 7 augustus 2018 en/of op 16 juli 2019 gebaseerd op het beginsel van de rechtsstaat als bedoeld in artikel 2 VEU, en is het thans gebaseerd op dit beginsel?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Prokuratura Rejonowa w Mińsku Mazowieckim e.a. (C-748/19-C-754/19), Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) (C-216/18 PPU), Commissie/Polen (Onafhankelijkheid van de gewone rechterlijke instanties) (C-192/18), A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy) (C-585/18, C-624/18 en C-625/18), Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters) (C-791/19), A. B. e.a. (Benoeming van rechters bij de Sąd Najwyższy – Beroep) (C-824/18), Commissie/Polen (C-204/21 R), OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) (C-508/18 en C-82/19 PPU)

Specifiek beleidsterrein: JenV, BZ, BZK