C-820/21 Vinal  

Contentverzamelaar

C-820/21 Vinal  

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    23 februari 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    9 april 2022

Trefwoorden : accijnzen, belastingentrepot, vergunning, fraude en misbruik

Onderwerp :

Richtlijn 2008/118/ Е G van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG.

Feiten:

Verzoekster was erkend entrepothouder in de zin van artikel 4, punt 2, ZADS, dat wil zeggen een persoon die volgens de bepalingen van de ZADS beschikt over de vergunning om in het kader van een accijnsschorsingsregeling accijnsgoederen in een belastingentrepot te produceren en/of voorhanden te hebben, te ontvangen of te verzenden. Op 24-01-2018 heeft de sanctionerende douaneautoriteit een boetebeschikking uitgevaardigd. Hierin besliste zij op grond van de bij de verrichte controles verkregen bewijsmiddelen dat verzoekster in haar hoedanigheid van erkend entrepothouder haar verplichtingen als bedoeld in artikel 43, lid, punt 1, junctis artikel 84, lid 7, en artikel 20, lid 2, punt 8, ZADS, te weten de betaling van de verschuldigde accijns door de uitreiking van een accijnsfactuur op 30-01-2017, niet was nagekomen en zag daarin een bestuursrechtelijke overtreding. Bij verweerders beschikking van 11-02-2020 (die in het hoofdgeding wordt bestreden) is de vergunning van de entrepothouder van verzoekster ingetrokken. Zij heeft bij de verwijzende rechter beroep ingesteld tegen deze beschikking en verzoekt om vernietiging daarvan. In haar beroep voert zij aan dat bij de beoordeling of de ZADS verenigbaar is met het Unierecht rekening moet worden gehouden met de „onjuiste” omzetting van richtlijn 2008/118, waarbij de staat en de administratie in uiterst buitensporige mate ingrijpen in de activiteit van de erkende entrepothouder. De aanbeveling van de Commissie van 29-11-2000 houdende vaststelling van richtsnoeren voor entrepothouders op grond van richtlijn 92/12/EEG, die door richtlijn 2008/118 is ingetrokken, moet in aanmerking worden genomen. In artikel 7 van de aanbeveling heet het dat een vergunning tijdelijk of in concrete gevallen kan worden ingetrokken in geval van niet-nakoming van de uit de vergunning voortvloeiende verplichtingen, ontoereikende dekking voor de verplichte zekerheidstelling, herhaalde overtreding van de toepasselijke wettelijke voorschriften, betrokkenheid bij misdadige activiteiten, belastingontduiking of fraude.

Overweging:

In het onderhavige geval is in artikel 53, lid 3, junctis lid 2, punt 1, lid 1, punt 3 en artikel 47, lid 1, punt 5, ZADS bepaald dat de vergunning moet worden ingetrokken wanneer er sprake is van een onherroepelijke rechtshandeling waarbij de persoon reeds is gestraft, omdat hij ondanks de voor hem geldende verplichting de accijns niet heeft betaald, waarbij de sanctie het dubbele bedrag van de te betalen accijns bedraagt. In dit geval rijst de vraag hoe de doelen van voorkoming van fraude en misbruik zouden kunnen worden verwezenlijkt door de verplichte en onmiddellijke intrekking van de vergunning. Zou in het onderhavige geval het rechtsgevolg van de intrekking van de vergunning, dat verband houdt met een concrete overtreding waarvan het bedrag hoger is dan een bepaald bedrag van niet-betaalde accijns, onder de genoemde criteria van de aanbeveling kunnen vallen? Kan dit rechtsgevolg onder de doelen van artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/118 vallen, namelijk het voorkomen van elke vorm van fraude en misbruik? De verwijzende rechter vraagt zich ook af of artikel 53, lid 1, punt 3, juncto artikel 47, lid 1, punt 5, ZADS beantwoordt aan de in overweging 10 van de richtlijn neergelegde beginselen van non-discriminatie, wanneer het nationale recht voorziet in de intrekking van de vergunning met toekomstige werking, onmiddellijk en onbeperkt in de tijd, naast een sanctie die reeds voor hetzelfde feit is opgelegd. Heeft deze bepaling zulke ernstige gevolgen dat de toepassing ervan juist zou leiden tot discriminatie van Bulgaarse bedrijven ten opzichte van andere bedrijven bij overigens gelijke omstandigheden?

Prejudiciële vragen:

Hoe moet artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/118/EG worden uitgelegd, voor zover daarin is bepaald dat voor de vergunning voor de opening en het beheer van een belastingentrepot de voorwaarden gelden die de autoriteiten van rechtswege mogen stellen om elke vorm van fraude en misbruik te voorkomen, en wat moet de inhoud zijn van deze voorwaarden, opdat de doelen van het voorkomen van fraude en misbruik kunnen worden verwezenlijkt?

Hoe moet het verbod van discriminatie in de zin van de overweging 10 van richtlijn 2008/118 worden uitgelegd?

Hoe moeten voornoemde bepalingen worden uitgelegd, en moeten zij aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling als die van artikel 53, lid 1, punt 3, juncto artikel 47, lid 1, punt 5, ZADS, voor zover deze regeling bepaalt dat de vergunning met toekomstige werking, onmiddellijk en onbeperkt in de tijd moet worden ingetrokken, naast een sanctie die reeds voor hetzelfde feit is opgelegd?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal