C-826/21 Blue Air Aviation e.a.

Contentverzamelaar

C-826/21 Blue Air Aviation e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    22 maart 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    8 mei 2022

Trefwoorden : auteursrecht, geluidsinstallaties, treinen, informatiemaatschappij

Onderwerp :

Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij

Feiten:

Verzoekster is een organisatie voor collectief beheer die door de ORDA is aangewezen om de aan de producenten van fonogrammen verschuldigde vergoedingen te innen. Verweerster houdt zich bezig met openbaar personenvervoer per spoor. Krachtens een besluit van de minister van Vervoer is verweerster verplicht de passagierswagons van bepaalde categorieën door haar beheerde treinen uit te rusten met geluidsinstallaties. Voor de andere categorieën is niet aangetoond dat dergelijke installaties zijn geplaatst. Verzoekster heeft op 02-12-2013 beroep ingesteld bij de Tribunal București waarmee zij in wezen vordert verweerster te gelasten een billijke vergoeding te betalen voor de mededeling aan het publiek van muziekwerken in passagierstreinen. De Tribunal București heeft het beroep afgewezen op grond dat enkel geluidsinstallaties die het technisch mogelijk maken het publiek toegang te bieden tot geluidsopnamen, een mededeling aan het publiek vormen en dat verzoekster dit aspect niet had aangetoond. Verzoekster betoogt dat de loutere aanwezigheid van geluidsinstallaties in de wagons van de door verweerster beheerde passagierstreinen neerkomt op een handeling bestaande in een mededeling aan het publiek. Verweerster verzoekt om afwijzing van dit argument en voert daarbij aan dat de billijke vergoedingen enkel verschuldigd zijn voor handelingen bestaande in mededelingen aan het publiek waarbij fonogrammen daadwerkelijk worden uitgezonden, en dat verzoekster die handelingen niet heeft bewezen.

Overweging:

Wat de eerste prejudiciële vraag betreft, acht de verwijzende rechter het nodig de volgende twee subvragen te onderzoeken: 1) staat de plaatsing van geluidsinstallaties gelijk aan een mededeling aan het publiek, en 2) heeft de uitzending van achtergrondmuziek in de wagons van passagierstreinen een winstoogmerk? Door toepassing van de rechtspraak van het Hof op het onderhavige geval is de verwijzende rechter van oordeel dat verzoekster niet alleen moet bewijzen dat er geluidsinstallaties aanwezig zijn, maar ook dat verweerster voornemens is fonogrammen publiekelijk aan de passagiers mede te delen door met verschillende bewijsmiddelen aan te tonen dat in de passagierstreinen daadwerkelijk een mededeling aan het publiek wordt gedaan. De tweede subvraag moet worden onderzocht voor het geval het Hof zou oordelen dat de loutere aanwezigheid van geluidsinstallaties neerkomt op een handeling bestaande in een mededeling aan het publiek. Volgens de rechtspraak van het Hof is het winstoogmerk van de mededeling namelijk een relevant criterium bij de beoordeling of er sprake is van een handeling bestaande in een mededeling aan het publiek. Bij de tweede prejudiciële vraag herinnert de verwijzende rechter eraan dat de nationale regeling vereist dat bepaalde passagierswagons worden uitgerust met geluidsinstallaties en dat de bij besluit nr. 399/2006 van de ORDA goedgekeurde methodologie vereist dat een vergoeding wordt betaald voor elke trein die is uitgerust met geluidsinstallaties. Bijgevolg bestaat er in deze situatie een weerlegbaar vermoeden van mededeling aan het publiek.

Prejudiciële vraag:

1) Is sprake van een mededeling aan het publiek in de zin van artikel 3 van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij indien een spoorvervoerder treinwagons gebruikt waarin geluidsinstallaties zijn geïnstalleerd met het oog op de mededeling van informatie aan reizigers?

2) Staat artikel 3 van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij in de weg aan een nationale regeling waarin een weerlegbaar vermoeden van mededeling aan het publiek is neergelegd dat is gebaseerd op de aanwezigheid van geluidsinstallaties indien die installaties verplicht zijn uit hoofde van andere wettelijke bepalingen inzake de activiteit van de vervoerder?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Football Association Premier League e.a. (C-403/08 en C-429/08), SGAE (C-306/05), SCF (C-135/10), Reha Training (C-117/15), Phonographic Performance (Ireland) (C-162/10)

Specifiek beleidsterrein: JenV, EZK