C-87/22 TT 

Contentverzamelaar

C-87/22 TT 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    6 april 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    23 mei 2022

Trefwoorden : bevoegdheid, ouderlijke verantwoordelijkheid, voogdij minderjarige kinderen

Onderwerp :

Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000

Feiten:

V en M zijn de buitenechtelijke kinderen van A K en T T. De ouders en de kinderen zijn Slowaakse staatsburgers. De kinderen zijn in Slowakije geboren. Volgens de Slowaakse wet hebben beide ouders het gezamenlijk gezag over beide kinderen. Na de geboorte van de twee kinderen woonden zij aanvankelijk met hun ouders in Slowakije en verhuisden zij in het voorjaar van 2014 naar Oostenrijk. De ouders gingen in januari 2020 uit elkaar. Sinds juli 2020 wonen de kinderen met hun moeder in Bratislava. Tegelijk met een verzoek om terugkeer dat tussentijds aanhangig was gemaakt bij de Slowaakse rechter in eerste aanleg, heeft de vader de rechter verzocht om overdracht van het gezag over beide kinderen aan hem alleen, subsidiair om toewijzing van de hoofdzakelijke zorg over de kinderen met behoud van het gezamenlijk gezag, alsmede om overdracht van het tijdelijk gezag aan hem alleen tot het einde van de procedure inzake het gezagsrecht, hoofdzakelijk op de samengevatte grond dat de moeder het welzijn van de kinderen in gevaar had gebracht door hen op ongeoorloofde wijze van Oostenrijk naar Slowakije over te brengen. De moeder verzette zich tegen de verzoeken van de vader inzake het gezag en voerde het verweer dat het Bezirksgericht Bruck an der Leitha internationaal onbevoegd was, hoofdzakelijk op de grond dat de kinderen steeds hun gewone verblijfplaats in Slowakije hadden gehad. Op 23-09-2021 heeft de moeder bij het Bezirksgericht Bruck an der Leitha een verzoek ingediend om overeenkomstig artikel 15, lid 1, onder b), en lid 2, onder a), van verordening 2201/2003, een rechterlijke instantie van Slowakije te verzoeken zich bevoegd te verklaren. Bij de thans bestreden beschikking heeft het Bruck an der Leitha de Okresný súd Bratislava V verzocht om zich bevoegd te verklaren om uitspraak te doen in de procedure. De vader heeft hoger beroep aangetekend tegen deze beschikking op de grond dat de beoordeling rechtens onjuist is. De moeder verzoekt om verwerping van het hoger beroep. Verder verzoekt zij het Hof om uitlegging te vragen van artikel 15 van verordening 2201/2003.

Overweging:

Tot op heden heeft het Hof artikel 15, punt 1, van verordening 2201/2003 aldus opgevat dat het een bijzondere bevoegdheidsregel vormt ten opzichte van de algemene regel in artikel 8, punt 1, van de verordening, in die zin dat het een uitzondering vormt en dus restrictief moet worden uitgelegd, en een verwijzing naar een gerecht dat beter in staat is om de zaak te behandelen, slechts in uitzonderlijke omstandigheden mag plaatsvinden. De vraag rijst of in gevallen waarin een lidstaat die op grond van artikel 15, lid 1, onder b), van de verordening wordt verzocht zich bevoegd te verklaren, tegelijkertijd de staat is waar het kind na een ongeoorloofde ontvoering inmiddels zijn gewone verblijfplaats heeft gevestigd, de bevoegdheid naar die lidstaat kan overgaan. Indien de eerste vraag in de zin van een toelaatbaarheid van de bevoegdheidsovergang ook van toepassing is in het geval van een ongeoorloofde overbrenging, is het de vraag of een beoordeling dan alleen op basis van de criteria en voorwaarden kan plaatsvinden die tot dusver in de rechtspraak van het Hof zijn genoemd.

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 15 van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB 2003 L 338, blz. 1), aldus worden uitgelegd dat een lidstaat die bevoegd is om ten gronde over een zaak te beslissen, het gerecht van een andere lidstaat kan verzoeken zich bevoegd te verklaren wanneer eerstbedoelde lidstaat van oordeel is dat dit gerecht van die andere lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft, beter in staat is de zaak of een specifiek onderdeel daarvan te behandelen, ook al is de andere lidstaat een lidstaat waar het kind na een ongeoorloofde overbrenging zijn gewone verblijfplaats heeft verkregen?

2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

Moet artikel 15 van verordening nr. 2201/2003 aldus worden uitgelegd dat de daarin genoemde criteria voor de overgang van de bevoegdheid uitputtend zijn geregeld, zonder dat verdere criteria, rekening houdend met een procedure die is ingeleid krachtens artikel 8, onder f), van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 25 oktober 1980 inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, nodig zijn?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: EP (C-530/18), (C-403/09)

Specifiek beleidsterrein: JenV