C-96/22 Companhia de Distribuicao Integral Logista Portugal

Contentverzamelaar

C-96/22 Companhia de Distribuicao Integral Logista Portugal

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    12 april 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    29 mei 2022

Trefwoorden : accijns, kwantitatieve beperkingen, sigaretten

Onderwerp :

Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 ingevoerde regels betreffende de verschuldigdheid van de accijns

Feiten:

Op 15-09-2010 heeft Compañía de Distribución Integral Logista, S.A. (filiaal in Portugal), thans ,,CDIL” (verzoekster), bij de douanediensten te Funchal een eerste aangifte ingediend van de hoeveelheden die in de periode van 01-09-2009 tot en met 31-08-2010 tot verbruik zijn uitgeslagen, met het oog op de toepassing van artikel 106, lid 4, CIEC. De kwantitatieve limiet voor het tijdvak van 01-09-2010 tot en met 31-12-2010 waarin de beperkende regels golden, bedroeg 1 644 005 sigaretten overeenkomstig artikel 106, leden 1 en 2, CIEC, zoals op 22-09-2010 aan verzoekster werd meegedeeld. Verzoekster heeft de douanediensten te Funchal op 18-01-2011 meegedeeld dat zij tussen september en december 2010 21 935 000 sigaretten (1 096 750 pakjes) tot verbruik had uitgeslagen. Op 18-11-2010 heeft verzoekster een machtigingsaanvraag ingediend voor de maanden september tot en met december 2010. Bij besluit van 07-01-2011 is het verzoek afgewezen wegens overschrijding van de gestelde grenzen en omdat de aangevoerde gronden niet voldeden aan de wettelijk vastgestelde criteria: plotselinge wijziging en beperkt in de tijd. Volgens verzoekster geeft de beslissing van de TAF blijk van een onjuiste uitlegging en toepassing van de regels van richtlijn 2008/118/EG, richtlijn 2011/64/EU en het VWEU (in het bijzonder de regels inzake het vrije verkeer van goederen), aangezien artikel 106 CIEC wordt uitgelegd op een wijze die kennelijk in strijd is met voornoemde regels van het Unierecht.

Overweging:

Het geschil heeft betrekking op de verenigbaarheid (of de niet-verenigbaarheid) van artikel 106 CIEC met het Unierecht: verzoekster betwist niet dat zij tijdens de aan beperkingen verbonden periode de voor haar geldende kwantitatieve beperkingen heeft overschreden, en evenmin de berekening van de door de belastingdienst vastgestelde verschillen. Volgens verzoekster is de wettelijke regeling die vervat is in artikel 106, leden 1, 2 en 7, CIEC in strijd met de artikelen 7 en 9 van richtlijn 2008/118/EG, waarin de algemene voorwaarden voor de verschuldigdheid van accijnzen zijn vastgesteld. In die regeling wordt de belasting immers niet betaald wanneer de marktdeelnemer besluit het product tot verbruik uit te slaan, maar wanneer hij, zoals in het onderhavige geval, een extra heffing moet betalen. Voorts stelt verzoekster de vraag of de bij artikel 106, leden 1, 2 en 7, CIEC ingevoerde wettelijke beperkingen van de uitslag tot verbruik van tabaksproducten kwantitatieve invoerbeperkingen vormen, welke uitdrukkelijk verboden zijn door artikel 34 VWEU en niet kunnen worden gerechtvaardigd op grond van artikel 36 VWEU. In dit verband betoogt verzoekster dat een maatregel op grond waarvan marktdeelnemers gebonden zijn aan de in het voorafgaande jaar gerealiseerde uitslagen tot verbruik, verhoogd met 10 %, een belemmering vormt voor de invoer van hoeveelheden die toereikend zijn om aan de vraag te voldoen, en de markt afsluit voor nieuwe producenten, zodat deze maatregel een kwantitatieve invoerbeperking tot gevolg heeft en in strijd is met deze bepaling.

Prejudiciële vragen:

1) Zijn de in artikel 106 van de accijnswet neergelegde kwantitatieve beperkingen inzake de tot verbruik uitgeslagen hoeveelheden aan te merken als kwantitatieve invoerbeperkingen of maatregelen van gelijke werking in de zin van artikel 34 VWEU, voor zover zij tot gevolg hebben dat marktdeelnemers in de laatste vier maanden van elk jaar slechts hoeveelheden sigaretten op de markt mogen brengen die niet groter zijn dan de gemiddelde maandelijkse hoeveelheid tot verbruik uitgeslagen sigaretten in de onmiddellijk voorafgaande twaalf maanden?

2) Is het in strijd met de bij de artikelen 7 en 9 van richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 ingevoerde regels betreffende de verschuldigdheid van de accijns om de hoeveelheden sigaretten die de in artikel 106, lid 2, van de accijnswet vastgestelde kwantitatieve grens voor tot verbruik uitgeslagen sigaretten overschrijden, overeenkomstig artikel 106, lid 7, van die wet te belasten tegen het tarief dat van kracht is op de datum van indiening van de aangifte tot aanzuivering?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Commissie/Portugal (C-126/15)

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal