C-zaaknummers

Contentverzamelaar

Terug C-zaaknummers

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   23 februari 2015
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   9 maart 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   9 april 2015
Trefwoorden: interne markt; diensten

Onderwerp
- Richtlijn 97/67/EG van het EP en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst (Pb L 15, blz. 14), zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/6/EG van het EP en de Raad van 20 februari 2008
- Richtlijn 2002/39/EG van het EP en de Raad van 10 juni 2002 tot wijziging van richtlijn 97/67/EG met betrekking tot de verdere openstelling van de postmarkt in de Gemeenschap voor mededinging

Verzoekster (waarvan de activiteiten wel bekend zijn) is door verweerster (controlerende dienst) verplicht gesteld tot het betalen van een financiële bijdrage aan de OOS radio- en telecomregulerings BV. Verzoekster heeft daar tegenin gebracht dat zij ‘diensten met een toegevoegde waarde’ levert die niet onder de universele dienst vallen, maar verweerster heeft gesteld dat leveranciers van postdiensten in het algemeen verplicht zijn bij te dragen. Verzoekster heeft daarop beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. Zij blijft bij haar standpunt dat haar diensten niet tot de universele dienst behoren, en, verwijzend naar artikel 9 lid 1 en 2 van RL 97/67, dat weliswaar algemene machtigingen ingevoerd mogen worden, maar die mogen niet (zoals de individuele vergunningen voor de universele dienst) aan (nadere) voorwaarden worden onderworpen. Verweerster wijst echter op de derde alinea van artikel 9, lid 2 op grond waarvan de verplichting die in het vierde streepje genoemd wordt ook aan andere exploitanten dan leveranciers van de universele dienst mag worden opgelegd.

De verwijzende OOS rechter (Verwaltungsgerichtshof) leest, met verzoekster, in de regeling van artikel 9 van RL 97/67 dat onderscheid wordt gemaakt tussen diensten die wel en die niet onder het toepassingsgebied van de universele dienst vallen. Hij memoreert de geleidelijke openstelling van de postmarkt (via de oorspronkelijke richtlijn 97/67 waarin nog geen verplichting tot meebetalen aan regelgevende instanties is opgenomen, en de rln 2002/39 en 2008/6 in welke laatste de liberalisatie van de interne markt voor postdiensten is voltooid en waarin overwegingen zijn gewijd aan cofinanciering van regelgevende instanties door een compensatiefonds dat wordt gefinancierd door bijdragen van dienstenleveranciers, ongeacht of zij al dan niet de universele dienst leveren. Aangezien hem geen eerdere rechtspraak van het HvJEU over dit vraagstuk bekend is stelt hij de volgende twee vragen:
1) Staat richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst (PB L 15, blz. 14), zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008, in het bijzonder artikel 9 daarvan, in de weg aan een nationale bepaling, op grond waarvan leveranciers van postdiensten verplicht zijn bij te dragen aan de financiering van de bedrijfskosten van de nationale regelgevende instantie, ongeacht of zij de universele dienst leveren?
2) Zo ja:
a) Volstaat voor een financieringsverplichting dat de betrokken leverancier postdiensten levert die volgens de nationale bepaling als universele postdienst kunnen worden aangemerkt, hoewel zij verder gaan dan het krachtens de richtlijn verplichte minimumaanbod met betrekking tot de universele postdienst?
b) Dient het aandeel van een bepaalde onderneming in de financieringsbijdragen op dezelfde manier te worden vastgesteld als de financieringsbijdragen aan het compensatiefonds krachtens artikel 7, lid 4, van die richtlijn?
c) Vereisen dan het gebod tot het respecteren van het non-discriminatiebeginsel en het proportionaliteitsbeginsel in de zin van artikel 7, lid 5, van die richtlijn en „het rekening houden met het uitwisselbaar zijn met de universele dienst” in de zin van overweging 27 van richtlijn 2008/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008, dat delen van de omzet die afkomstig zijn van diensten met een toegevoegde waarde, dus niet van postdiensten die tot de universele dienst kunnen worden gerekend, maar met de universele dienst in verband staan, buiten beschouwing worden gelaten en bij het bepalen van het aandeel niet in aanmerking worden genomen?

Specifiek beleidsterrein: EZ

Gerelateerde documenten