Commissie mag openbaarmaking processtukken van lidstaten niet zomaar weigeren

Contentverzamelaar

Commissie mag openbaarmaking processtukken van lidstaten niet zomaar weigeren
Burgers kunnen processtukken van lidstaten niet opvragen bij het EU-Hof. Maar als de Europese Commissie de stukken van het EU-Hof heeft gekregen, mag de Commissie ze in beginsel openbaar maken als burgers daarom verzoeken. Wel kan de Commissie vrijgave weigeren zo lang de procedure nog loopt. Dat heeft het EU-Hof beslist.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 18 mei 2017 in de zaak C‑213/15 P

In maart 2011 had een Oostenrijkse burger de Commissie verzocht om openbaarmaking van processtukken die Oostenrijk had ingediend bij het EU-Hof in een infractieprocedure die door de Commissie tegen Oostenrijk was gestart. De Commissie, die afschriften van deze documenten in haar bezit had, weigerde de documenten vrij te geven op grond dat deze documenten niet binnen de reikwijdte van Verordening nr 1049/2001 vielen. Dit besluit van de Commissie werd door het Gerecht nietig verklaard ( zaak T-188/12). Tegen deze uitspraak stelde de Commissie hoger beroep in bij het EU-Hof.

Het EU-Hof stelt voorop dat de Commissie alleen beroep heeft ingesteld tegen het oordeel van het Gerecht dat de beperking van openbaarmaking tot administratieve, niet-gerechtelijke stukken van het EU-Hof in artikel 15 EU-Werkingsverdrag niet verhindert dat Verordening 1049/2001 van toepassing is op het verzoek om openbaarmaking van gerechtelijke stukken. Het EU-Hof hoefde in deze procedure dus niet te bepalen of de Commissie toegang tot de desbetreffende documenten moet verlenen.

Vervolgens bevestigt het Hof dat de verordening inderdaad van toepassing is op een verzoek als dit. Het Hof stelt dat documenten die in het bezit zijn van een van de in verordening nr. 1049/2001 genoemde instellingen, niet principieel van de werkingssfeer van deze verordening zijn uitgesloten omdat die documenten zijn opgesteld door een lidstaat en verband houden met gerechtelijke procedures.

Het Hof herinnert eraan dat er een algemeen vermoeden geldt dat de openbaarmaking van dit soort documenten die zijn ingediend in een gerechtelijke procedure afbreuk doet aan de bescherming van die procedure, zolang die procedure niet beëindigd is. Maar een belanghebbende heeft het recht aan te tonen dat dit vermoeden zich niet uitstrekt tot een bepaald document waarvan de openbaarmaking is gevraagd.

Volgens verordening 1049/2001 kan een lidstaat een instelling verzoeken een van hem afkomstig document niet zonder zijn voorafgaande toestemming openbaar te maken. Maar deze verordening kent de lidstaat geen algemeen en onvoorwaardelijk vetorecht toe waarmee de lidstaat zich zonder steekhoudende motivering kan verzetten tegen elke openbaarmaking van documenten die van hem afkomstig zijn.

Het Gerecht heeft volgens het Hof terecht geoordeeld dat de omstandigheid dat de Commissie deze processtukken heeft ontvangen van het Hof en niet van de betrokken lidstaat, niet van invloed is op de vaststelling of verordening 1049/2001 van toepassing is.

Het Hof concludeert dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat de documenten met betrekking tot gerechtelijke procedures binnen de werkingssfeer van verordening 1049/2001 vallen, en op basis daarvan het besluit van de Commissie om Breyer toegang tot de documenten te weigeren, terecht nietig heeft verklaard.

De Commissie werd dus in het ongelijk gesteld. Normaal moet de Commissie dan de proceskosten van de tegenpartij vergoeden. Maar omdat de Oostenrijker zonder toestemming de processtukken al op internet had gezet, hoefde de Commissie maar de helft van zijn kosten te vergoeden.

Meer info: