Contentverzamelaar

Commissie past berekening sancties inbreukzaken aan
De Commissie heeft de berekeningsmethode aangepast voor boetes en dwangsommen die zij in inbreukzaken aan het EU-Hof voorstelt. Voor het institutioneel gewicht van een lidstaat als berekeningsfactor wordt niet meer naar het stemgewicht van die lidstaat in de Raad gekeken, maar naar het aantal zetels in het Europees Parlement voor vertegenwoordigers afkomstig uit de betrokken lidstaat. De bedragen vallen per saldo lager uit.

Algemeen

Volgens artikel 258 VWEU kan de Commissie een inbreukprocedure starten tegen een EU-lidstaat die de EU-wetgeving niet uitvoert. In twee gevallen kan het EU-Hof dan financiële sancties opleggen: wanneer het Hof oordeelt dat een lidstaat die het EU-recht schendt, nog niet heeft voldaan aan een eerder arrest waarin die inbreuk is vastgesteld (artikel 260, lid 2, VWEU) en wanneer een lidstaat niet heeft voldaan aan zijn verplichting om maatregelen ter omzetting van een richtlijn (artikel 260, lid 3, VWEU) aan te melden. In beide gevallen bestaat de sanctie uit een boete om de inbreuk zelf te bestraffen en/of een dwangsom om de voortzetting van de inbreuk na het arrest van het EU-Hof te bestraffen. Het is de Commissie die dergelijke bedragen voorstelt aan het EU-Hof, dat vervolgens zelf een beslissing neemt over de sancties.

Berekening sanctiehoogte

Bij de berekening van de voorgestelde financiële sanctie houdt de Commissie naast de ernst van de inbreuk en de duur van de inbreuk, rekening met de economische situatie van de betrokken lidstaat (het bruto binnenlands product) en zijn institutionele gewicht binnen de EU. Bij deze laatste twee aspecten (de zogenaamde “factor n”) heeft de Commissie tot nu toe gekeken naar het bruto binnenlands product en het aantal stemmen dat de lidstaat in de Raad was toegewezen. Dat gaat nu veranderen. In een recent arrest heeft het EU-Hof geoordeeld dat de stemregels van de Raad, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Lissabon, niet langer hiervoor kunnen worden gebruikt.Aangezien de Commissie het institutionele gewicht van een lidstaat wel in de bepaling van de hoogte van de boetes wil blijven meenemen, gaat zij in zaken die zij voor het EU-Hof brengt, gebruik maken van het aantal zetels voor vertegenwoordigers in het Europees Parlement dat aan die lidstaat is toegewezen. Naast deze vernieuwde factor gaat de Commissie in haar berekening niet langer uit van absolute waarden, maar van het gemiddelde van de twee factoren. Dit sluit volgens haar beter aan bij de huidige economische en politieke realiteit en verhoogt ook de stabiliteit van de referentiewaarde in de tijd.

De Commissie kondigt ook aan dat zij na het vertrek van het VK uit de EU het rekenmodel opnieuw zal aanpassen.

Overzicht componenten rekenmethode

Voor de volledigheid volgt hier een opsomming van de oude en nieuwe componenten voor het bepalen van de hoogte van de voorgestelde sancties. Op de standaardbedragen  heeft de Commissie een vermenigvuldigingsfactor van 4,5 toegepast. Dit in verband met de verlaging van de landenfactor “n”. De hoogte van het bedrag hangt uiteindelijk nog steeds af van de ernst van de inbreuk en de duur van de inbreuk, het bruto binnenlands product (BBP) en het institutionele gewicht. De wijzigingen zijn als volgt:

  • het standaardbedrag van een dwangsom was eerst vastgesteld op 690 euro per dag. Dit wordt nu verhoogd naar (690 x 4,5 =) 3105 euro per dag;

  • het standaardbedrag voor de boete ter bestraffing van de inbreuk zelf was eerst  vastgesteld op 230 euro dag. Dit wordt nu verhoogd naar (230 x 4,5 =) 1035 euro per dag;

  • de “factor n” is een per lidstaat verschillend getal. Dit werd voorheen bepaald door een combinatie van het BBP van de lidstaat en het aantal stemrechten in de Raad. Nu is dat dus een combinatie van het BBP van de lidstaat en het aantal toegewezen zetels in het Europees Parlement voor vertegenwoordigers afkomstig uit de betrokken lidstaat. De Commissie gaat in haar berekening niet langer uit van absolute waarden, maar van het gemiddelde van deze twee factoren. Dat wil zeggen dat de nationale getallen (BBP en aantal zetels van de betrokken lidstaat) worden afgezet tegen het gemiddelde van de lidstaten gezamenlijk. Daardoor is de nieuwe "factor n" nu aanmerkelijk lager dan de oude "factor n" (voorbeeld NL: nu 1,13, was 6,56).

Het effect van de verlaging van de "factor n" is groter dan het effect van de verhoging van de standaardbedragen. Per saldo vallen de boeten en dwangsommen daardoor lager uit dan volgens de oude berekening.

De aangepaste formule en een tabel met het overzicht van de thans geldende “factor n” en de aangepaste minimumboetes voor alle lidstaten zijn te vinden in de mededeling van de Commissie.

Wat de wijziging voor de voorgestelde methode voor Nederland betekent kunt u ook terugvinden op de pagina boetes en dwangsommen van de ECER-website.

Lees ook: