Contentverzamelaar

Doorschuiven van bovenwettelijke vakantiedagen bij ziekte mag worden verboden
Nationale regelingen of collectieve arbeidsovereenkomsten die recht geven op meer dagen jaarlijkse vakantie met behoud van loon dan de minimumperiode van vier weken, mogen verbieden dat die extra vakantiedagen wegens ziekte worden overgedragen naar een volgend jaar. Dat is niet in strijd met de EU-richtlijn arbeidstijden of het EU-Handvest van de Grondrechten. Dat heeft het EU-Hof geantwoord op vragen van een Finse rechter. In het arrest verduidelijkt het EU-Hof wanneer het Handvest van toepassing is bij implementatie van minimumrichtlijnen.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof (Grote Kamer) van 19 november 2019 in de gevoegde zaken C‑609/17 en C‑610/17,TSN.

De Finse werknemersorganisatie TSN komt op voor een Finse laboratoriumassistente omdat haar werkgever weigert haar CAO-vakantiedagen naar een volgend jaar over te dragen. Deze weigering was gebaseerd op de Finse wet op de jaarlijkse vakantie, die alleen overdracht toestaat voor de wettelijke vakantiedagen en geen overdracht toestaat als de bovenwettelijke dagen niet kunnen worden opgenomen wegens ziekte.

De Finse rechter vraagt het EU-Hof of zo’n wettelijk verbod in overeenstemming is met de regels betreffende jaarlijkse vakantie met behoud van loon van EU-richtlijn 2003/88/EG betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd en van artikel 31, lid 2 van het EU-Handvest van de Grondrechten.

Het EU-Hof antwoordt als volgt.

EU-richtlijn arbeidstijden

Volgens vaste rechtspraak van het EU-Hof staat richtlijn 2003/88 niet in de weg aan nationale bepalingen die recht geven op een langere periode van jaarlijkse vakantie met behoud van loon dan de in artikel 7, lid 1, van die richtlijn voorgeschreven vier weken, dat wordt toegekend en verkregen onder de in het nationale recht vastgestelde voorwaarden.

De bewoordingen van artikel 1, lid 1, en lid 2, onder a), artikel 7, lid 1, en artikel 15 van richtlijn 2003/88 geven immers uitdrukkelijk aan dat deze richtlijn enkel tot doel heeft minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid op het gebied van de organisatie van de arbeidstijd vast te stellen, en het recht van de lidstaten om voor de bescherming van de werknemers gunstiger bepalingen toe te passen onverlet laat.

In een dergelijk geval worden de rechten op jaarlijkse vakantie met behoud van loon die verder gaan dan het bij artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 vereiste minimum, niet door deze richtlijn geregeld maar door het nationale recht, buiten het kader van het stelsel van die richtlijn.

Het is, aldus het EU-Hof, daarom een zaak van de lidstaten om te beslissen of zij de werknemers al dan niet extra dagen jaarlijkse vakantie met behoud van loon toekennen boven op de bij artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 gewaarborgde minimumperiode van vier weken. Ook mogen de lidstaten de voorwaarden voor het toekennen en het vervallen van die extra vakantiedagen vaststellen. In dit verband zijn zij niet verplicht de beschermingsregels die het EU-Hof met betrekking tot die minimumperiode heeft ontwikkeld, in acht te nemen.

Nationale regelingen en cao’s mogen dus weigeren om alle of een gedeelte van de dagen van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon boven die minimumperiode over te dragen wanneer de werknemer wegens ziekte arbeidsongeschikt was gedurende een gehele of een deel van een periode van jaarlijkse vakantie met behoud van loon. De lidstaten blijven immers vrij om al dan niet te voorzien in een dergelijk recht op overdracht, en indien dat het geval is, daarvoor de voorwaarden vast te stellen, mits het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon dat de werknemer daadwerkelijk toekomt wanneer hij niet arbeidsongeschikt is wegens ziekte, wel altijd op zijn minst gelijk blijft aan bovengenoemde minimumperiode van vier weken, aldus het EU-Hof.

EU-Handvest van de Gondrechten

Op de vraag of een dergelijke weigering vakantiedagen bij ziekte over te dragen verenigbaar is met artikel 31, lid 2, van het Handvest, antwoordt het EU-Hof als volgt.

Het toepassingsgebied van het Handvest is omschreven in artikel 51, lid 1, ervan, op grond waarvan, wat het optreden van de lidstaten betreft, de bepalingen van het Handvest slechts dan tot hen zijn gericht, wanneer zij het Unierecht ten uitvoer brengen. Volgens artikel 51, lid 2, breidt het Handvest het toepassingsgebied van het Unierecht niet verder uit dan de bevoegdheden van de Europese Unie reiken, schept het geen nieuwe bevoegdheden of taken voor de Unie en wijzigt het niet de in de Verdragen omschreven bevoegdheden en taken.

Bovendien kunnen volgens vaste rechtspraak de grondrechten die in de rechtsorde van de Unie worden gewaarborgd, toepassing vinden in alle situaties die worden beheerst door het Unierecht.

Daarom moet worden nagegaan of nationale regelingen en cao’s op grond waarvan meer dagen jaarlijkse vakantie met behoud van loon dan de in artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 voorgeschreven minimumperiode van vier weken worden toegekend maar wordt uitgesloten dat die vakantiedagen wegens ziekte worden overgedragen, moeten worden geacht die richtlijn ten uitvoer te brengen in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest, en of bijgevolg artikel 31, lid 2, van het Handvest kan worden toegepast op situaties als aan de orde in de hoofdgedingen.

In dit verband wijst het EU-Hof erop dat het enkele feit dat, zoals hier het geval is, nationale maatregelen binnen een gebied vallen waarop de Unie over bevoegdheden beschikt, deze maatregelen niet binnen de werkingssfeer van het Unierecht kan brengen en aldus leiden tot toepassing van het Handvest.

Ook wijst het EU-Hof erop, ten eerste, dat de Unie en de lidstaten krachtens artikel 4, lid 2, onder b), VWEU op het gebied van sociaal beleid, voor de in het VWEU genoemde aspecten, over een gedeelde bevoegdheid beschikken in de zin van artikel 2, lid 2, VWEU. Ten tweede wordt het optreden van de lidstaten, zoals in artikel 153, lid 1, VWEU is gepreciseerd en in overweging 2 van richtlijn 2003/88 is benadrukt, door de Unie ondersteund en aangevuld op het gebied van de verbetering van het arbeidsmilieu, om de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te beschermen.

Bescherming bij minimumvoorschriften

Hierbij benadrukt het EU-Hof dat richtlijn 2003/88, die, zoals in punt 34 van dit arrest is opgemerkt, enkel minimumvoorschriften vastlegt inzake veiligheid en gezondheid op het gebied van de organisatie van de arbeidstijd, is vastgesteld op grondslag van artikel 137, lid 2, EG, thans artikel 153, lid 2, VWEU. Blijkens de rechtspraak van het EU-Hof moet de uitdrukking „minimumvoorschriften”, die is gebezigd in deze bepalingen van het primaire recht en is overgenomen in artikel 1, lid 1, van die richtlijn, worden beschouwd in samenhang met artikel 137, lid 4, EG, thans artikel 153, lid 4, VWEU, waarin is gepreciseerd dat dergelijke minimumvoorschriften niet beletten dat een lidstaat maatregelen met een hogere graad van bescherming handhaaft of invoert welke met de Verdragen verenigbaar zijn. Daaruit volgt dat de lidstaten vrij blijven om in de uitoefening van de bevoegdheid die zij hebben behouden, dergelijke normen vast te stellen die strenger zijn dan die welke in het kader van het optreden van de Uniewetgever zijn vastgesteld, mits zij de samenhang van dat optreden niet in gevaar brengen.

Artikel 15 van richtlijn 2003/88, dat bepaalt dat deze richtlijn „er niet aan in de weg [staat]” dat de lidstaten bepalingen toepassen die gunstiger zijn voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemer, verschaft de lidstaten dus niet de mogelijkheid om op basis van het Unierecht wetten uit te vaardigen, maar erkent enkel dat de lidstaten bevoegd zijn om in het nationale recht, buiten het kader van het stelsel van de richtlijn, te voorzien in dergelijke gunstiger bepalingen.

Daarom verschillen de situaties die in deze zaak aan de orde zijn van de situatie waarin een Uniehandeling de lidstaten een vrije keuze geeft tussen verschillende toepassingswijzen of een discretionaire of beoordelingsbevoegdheid verleent die integrerend deel uitmaakt van de bij die handeling ingestelde regeling, of ook van de situatie waarin een dergelijke handeling toestaat dat de lidstaten specifieke maatregelen vaststellen teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van het doel ervan (zie in die verschillende opzichten arresten van 21 december 2011, N. S. e.a., C411/10 en C493/10, EU:C:2011:865, punten 64 68; 16 februari 2017, C. K. e.a., C578/16 PPU, EU:C:2017:127, punt 53; 9 maart 2017, Milkova, C406/15, EU:C:2017:198, punten 46, 47, 52 en 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 13 juni 2017, Florescu e.a., C258/14, EU:C:2017:448, punt 48).

Hier in dit geval merkt het EU-Hof ten slotte op dat het feit dat aan de werknemers meer dagen vakantie met behoud van loon worden toegekend dan de in artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 gewaarborgde minimumperiode van vier weken en is bepaald dat die dagen niet kunnen worden overgedragen wegens ziekte, op grond van nationale regelingen en cao’s zoals die welke in de hoofdgedingen aan de orde zijn, als zodanig noch de minimumbescherming die krachtens die bepaling aldus aan die werknemers wordt gewaarborgd kan aantasten of verminderen, noch afbreuk kan doen aan andere bepalingen van die richtlijn, aan haar samenhang of aan de doelen die zij nastreeft.

Uit al het voorgaande volgt dat wanneer de lidstaten rechten op jaarlijkse vakantie met behoud van loon toekennen boven op de in artikel 7, lid 1, van die richtlijn vastgelegde minimumduur van vier weken, of de sociale partners toestaan om die toe te kennen, dergelijke rechten – of de voorwaarden voor een eventuele overdracht daarvan in geval van ziekte tijdens de vakantie – onder de uitoefening van de door de lidstaten behouden bevoegdheid vallen en niet worden geregeld door die richtlijn en evenmin binnen de werkingssfeer daarvan vallen (zie naar analogie arrest van 10 juli 2014, Julián Hernández e.a., C198/13, EU:C:2014:2055, punt 45).

Wanneer de bepalingen van het Unierecht op het betrokken gebied een aspect niet regelen en aan de lidstaten geen specifieke verplichting opleggen voor een gegeven situatie, valt de nationale regeling die een lidstaat met betrekking tot dat aspect uitvaardigt, buiten de werkingssfeer van het Handvest en kan de betrokken situatie niet worden beoordeeld in het licht van de bepalingen van het Handvest.

Wanneer de lidstaten nationale regelingen vaststellen, of onderhandelingen voor cao’s toestaan, die, net als die in de hoofdgedingen, de werknemers rechten op jaarlijkse vakantie met behoud van loon toekennen boven op de in artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 vastgelegde minimumduur van vier weken, en de voorwaarden bepalen voor de eventuele overdracht van dergelijke extra rechten in geval van ziekte van de werknemer, brengen zij deze richtlijn bijgevolg niet ten uitvoer in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest.

Op grond van het voorgaande concludeert het EU-Hof dat het EU-Handvest van de Grondrechten niet van toepassing is met betrekking tot nationale regelingen en cao’s op grond waarvan meer dagen jaarlijkse vakantie met behoud van loon worden toegekend dan de in artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 vastgelegde minimumperiode van vier weken, maar wordt uitgesloten dat die vakantiedagen wegens ziekte worden overgedragen.