Contentverzamelaar

ECB overschrijdt bevoegdheid met locatie-eis clearing houses
De ECB is niet bevoegd te eisen dat ‘clearing houses’ gevestigd zijn in een lidstaat van de eurozone. Het toezichtkader van de ECB is nietig voor zover het deze eis stelt. Dat heeft het EU-Gerecht bepaald.

Het gaat om het arrest van het Gerecht van 4 maart 2015 in de zaak T-496/11, Verenigd Koninkrijk tegen de ECB.

Het Verenigd Koninkrijk verzocht om nietigverklaring van het “toezichtkader” van de ECB voor zover het de eis stelt dat een clearing house (“centrale tegenpartij”) gevestigd moet zijn in een lidstaat van de eurozone. Een dergelijk locatievereiste zou grote gevolgen kunnen hebben voor de Londense City als financieel centrum. Door centrale tegenpartijen vindt immers de administratieve afwikkeling van financiële transacties plaats.

Volgens de ECB is het locatievereiste noodzakelijk, omdat de ECB geen rechtstreekse invloed kan uitoefenen op infrastructuren buiten de eurozone. Dit terwijl een slechte werking van buiten de eurozone gevestigde infrastructuren die deelnemen aan de verrekening of de afwikkeling van transacties in euro wel negatieve gevolgen kan hebben voor het betalingsverkeer in de eurozone, gezien de nauwe banden tussen betalingssystemen en effectenverrekenings- en afwikkelingssystemen. Volgens de ECB is er echter geen sprake van een voor beroep ontvankelijke handeling, aangezien de bestreden handeling slechts publieksvoorlichting is en geen rechtsgevolgen heeft.

Het Gerecht verwerpt het standpunt van de ECB. Het bestudeert uitgebreid de aard van het toezichtkader, waaronder het feit dat het toezichtkader op de internetsite van de ECB is gepubliceerd, in dwingende bewoordingen is gesteld, en bijzonder precies is in het bepalen van een specifieke drempel waarboven centrale tegenpartijen aan het locatievereiste gebonden zijn. Het toezichtkader is daarom geen louter hypothetische verklaring van de ECB. Het Gerecht hecht ook bijzondere waarde aan het feit dat centrale tegenpartijen samenwerken met regelgevende instanties van de lidstaten van de eurozone. Het is niet ondenkbaar dat deze regelgevende instanties door het toezichtkader de indruk krijgen dat de ECB bevoegd is om een bindend locatievereiste vast te stellen, en dat zij daarom moeten toezien op inachtneming van dat vereiste. Het is immers niet voldoende duidelijk dat de ECB niet bevoegd is om een bindend locatievereiste vast te stellen voor centrale tegenpartijen. Dit kan nationale regelgevende instanties ertoe bewegen om samenwerking te weigeren aan centrale tegenpartijen die niet in de eurozone zijn gevestigd.

Het Gerecht concludeert dat het toezichtkader wel degelijk een voor beroep vatbare handeling is. Ook het betoog van de ECB dat het Verenigd Koninkrijk geen procesbevoegdheid heeft omdat bepaalde artikelen niet van toepassing zijn op het Verenigd Koninkrijk slaagt niet.

Volgens het Gerecht gaat de ECB bij het vaststellen van een locatievereiste verder dan het loutere toezicht op infrastructuren en houdt dit een regulering van hun activiteit in. Volgens artikel 22 van de ECB Statuten (Protocol 4 bij de EU-verdragen) is de ECB weliswaar bevoegd om verrekenings- en betalingssystemen te reguleren met het oog op haar taak om een goede werking van het betalingsverkeer te bevorderen. Dit omvat echter niet een autonome regelgevende bevoegdheid voor alle verrekeningssystemen, waaronder die voor effectentransacties. Artikel 22 van de Statuten van de ECB biedt slechts ruimte voor de regulering van betalingssystemen, en voor de verrekeningsfases die daar onderdeel van zijn.

De ruimte om de activiteit van effectenverrekeningssystemen te reguleren kan ook niet gevonden worden door het bestaan van een impliciete regelgevende bevoegdheid te erkennen. Het Gerecht ontkent niet dat er een nauwe band bestaat tussen betalingssystemen en effectenverrekeningssystemen. Maar deze band kan niet rechtvaardigen dat ook een impliciete bevoegdheid tot regulering van deze laatste systemen wordt erkend, aangezien de mogelijkheid bestaat om deze bevoegdheid door wijziging van Artikel 22 van de ECB Statuten in het leven te roepen. Het Gerecht acht het hierbij van belang dat deze bevoegdheid niet – zoals gebruikelijk bij wijziging van een Protocol – via een verdragswijzigingsprocedure hoeft te worden gecreëerd, maar dat dit via een vereenvoudigde wijzigingsprocedure kan (namelijk via een gewone wetgevingsprocedure waarvoor geen unanimiteit vereist is, zie artikel 129 van het EU-Werkingsverdrag).

Het Verenigd Koninkrijk voerde in totaal 5 middelen aan. Het eerste middel, dat de ECB niet bevoegd is om het locatievereiste op te leggen, slaagt dus al. Het Gerecht gaat daarom niet in op de andere middelen, waaronder de vraag of het locatievereiste verboden discriminatie naar nationaliteit vormt en daardoor een aantasting van de interne markt vormt.

Het is nog niet bekend of de ECB in beroep gaat tegen deze uitspraak.