EG-Hof vergroot eigen bevoegdheid in derde pijler

Contentverzamelaar

EG-Hof vergroot eigen bevoegdheid in derde pijler
In de beroepen van twee Baskische organisaties tegen plaatsing op de terrorisme-bevriezingslijst heeft het Hof zich bereid verklaard voortaan op verzoek van nationale rechters uitleg te geven van gemeenschappelijke standpunten in de derde pijler, wanneer daaraan rechtsgevolgen kunnen zijn verbonden voor derden.

Kern van de zaak

Segi en Gestoras waren door de Raad van de Europese Unie toegevoegd aan de lijst van terroristische organisaties, ingevolge het Gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 27 december 2001 betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme. Beide organisaties hadden bij het Gerecht van eerste aanleg beroep ingesteld tegen plaatsing op de Europese terrorisme lijsten, maar deze beroepen werden verworpen. Op 27 februari is ook het hoger beroep door het Hof van Justitie verworpen.

Het Hof van Justitie gaat daarbij in op het argument dat het recht op een daadwerkelijke rechterlijke bescherming is geschonden. Het Hof verklaart zich bereid voortaan prejudiciële verwijzingen van nationale rechters te onderzoeken wanneer gemeenschappelijke standpunten rechtsgevolgen voor derden zouden hebben. Rechtstreeks beroep instellen tegen een dergelijk gemeenschappelijk standpunt is voortaan ook mogelijk, maar dan alleen voor de Commissie en de lidstaten.

Naar de letter van artikel 35, lid 1, EU heeft het Hof geen bevoegdheid om een uitspraak te doen over gemeenschappelijke standpunten. Op grond van die bepaling is het Hof alleen bevoegd om een uitspraak te doen over de geldigheid en uitlegging van kaderbesluiten en besluiten, over de uitlegging van op grond van deze titel vastgestelde overeenkomsten en uitvoeringsmaatregelen.

Belangrijke overwegingen

Hieronder zijn de belangrijkste punten opgenomen uit het arrest arrest Segi (C-355/04P). Dezelfde passages staan in het arrest Gestoras (C-354/04P), punten 49 t/m 57.

Middel inzake schending van het recht op een daadwerkelijke rechterlijke bescherming

49 Rekwiranten hebben voor het Gerecht tevens aangevoerd dat de grondrechten en in het bijzonder het uit artikel 6, lid 2, EU voortvloeiende recht op een daadwerkelijke rechterlijke bescherming in acht dienen te worden genomen. Zij stellen in wezen dat zij over geen enkel middel beschikken om de plaatsing van Segi op de lijst in de bijlage bij gemeenschappelijk standpunt 2001/931 te betwisten en dat de bestreden beschikking afbreuk doet aan hun recht op een daadwerkelijke rechterlijke bescherming.

50 Het is juist dat op het gebied van de Unie de verdragen een stelsel van rechtsmiddelen in het leven hebben geroepen waarin het Hof krachtens artikel 35 EU over minder ruime bevoegdheden beschikt in het kader van titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie dan in het kader van het EG-Verdrag (zie in die zin arrest van 16 juni 2005, Pupino, C-105/03, Jurispr. blz. I-5285, punt 35). Deze bevoegdheden zijn overigens nog geringer in het kader van titel V. Een ander stelsel van rechtsmiddelen en met name een andere buitencontractuele aansprakelijkheidsregeling dan die welke in de verdragen is neergelegd, is weliswaar denkbaar, maar het staat overeenkomstig artikel 48 EU in voorkomend geval aan de lidstaten om het huidige systeem te hervormen.

51 Rekwiranten kunnen evenwel niet stellen dat zij geen enkele rechterlijke bescherming genieten. Volgens artikel 6 EU is de Unie gegrondvest op het beginsel van de rechtsstaat en eerbiedigt zij de grondrechten als algemene beginselen van het gemeenschapsrecht. Hieruit volgt dat de instellingen zijn onderworpen aan het toezicht op de verenigbaarheid van hun handelingen met het Verdrag en met de algemene rechtsbeginselen, evenals de lidstaten wanneer deze het recht van de Unie ten uitvoer leggen.

52 Dienaangaande dient te worden beklemtoond dat de Raad volgens artikel 34 EU handelingen van uiteenlopende aard en strekking kan vaststellen. Volgens artikel 34, lid 2, sub a, EU kan de Raad „gemeenschappelijke standpunten aannemen waarin de aanpak van de Unie ten aanzien van een bepaalde aangelegenheid wordt omschreven”. De lidstaten zijn verplicht zich naar een gemeenschappelijk standpunt te voegen, overeenkomstig het beginsel van loyale samenwerking, dat met name inhoudt dat de lidstaten alle passende algemene of bijzondere maatregelen treffen om de nakoming van de voor hen uit het recht van de Europese Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren (zie arrest Pupino, reeds aangehaald, punt 42). Zo bepaalt artikel 37 EU dat de lidstaten de gemeenschappelijke standpunten verwoorden „in de internationale organisaties en op de internationale conferenties waaraan zij deelnemen”. Een gemeenschappelijk standpunt heeft evenwel op zich geen rechtsgevolgen voor derden. Daarom zijn in het systeem van titel VI van het EU-Verdrag enkel kaderbesluiten en besluiten vatbaar voor een beroep tot nietigverklaring voor het Hof van Justitie. De bevoegdheid van het Hof, zoals omschreven in artikel 35, lid 1, EU, om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen, strekt zich evenmin uit tot gemeenschappelijke standpunten, maar is beperkt tot de toetsing van de geldigheid en de uitlegging van kaderbesluiten en besluiten, de uitlegging van op grond van titel VI vastgestelde overeenkomsten en de toetsing van de geldigheid en de uitlegging van uitvoeringsmaatregelen.

53 Voor zover artikel 35, lid 1, EU de nationale rechters niet de mogelijkheid biedt het Hof een prejudiciële vraag te stellen over een gemeenschappelijk standpunt, maar enkel over de in bedoeld artikel genoemde handelingen, beschouwt deze bepaling als handelingen waarover een dergelijke vraag kan worden gesteld, alle door de Raad vastgestelde bepalingen die beogen rechtsgevolgen voor derden teweeg te brengen. Aangezien de procedure op grond waarvan het Hof bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak kan doen ertoe strekt de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en de toepassing van het Verdrag te verzekeren, zou het in strijd met dit doel zijn om artikel 35, lid 1, EU strikt uit te leggen. De mogelijkheid om een prejudiciële vraag aan het Hof te stellen, dient dus te bestaan ten aanzien van alle door de Raad vastgestelde bepalingen, ongeacht de aard of de vorm ervan, die beogen rechtsgevolgen voor derden teweeg te brengen (zie naar analogie arresten van 31 maart 1971, Commissie/Raad, het zogenaamde „AETR”-arrest, 22/70, Jurispr. blz. 263, punten 38-42, en 20 maart 1997, Frankrijk/Commissie, C-57/95, Jurispr. blz. I-1627, punten 7 en volgende).

54 Een gemeenschappelijk standpunt dat, gelet op de inhoud ervan, een ruimere draagwijdte heeft dan die welke door het EU-Verdrag aan dit soort handeling wordt toegekend, moet dus aan de controle van het Hof kunnen worden onderworpen. Bijgevolg kan een nationale rechter bij wie een geding aanhangig is waarin zijdelings de vraag aan de orde is naar de geldigheid of de uitlegging van een gemeenschappelijk standpunt dat op grond van artikel 34 EU is vastgesteld, zoals in casu het geval is voor een deel van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 en in elk geval voor artikel 4 ervan en voor de bijlage bij dit gemeenschappelijk standpunt, en die ernstige twijfels heeft over de vraag of dit gemeenschappelijke standpunt in werkelijkheid beoogt rechtsgevolgen voor derden teweeg te brengen, het Hof onder de voorwaarden van artikel 35 EU verzoeken om een prejudiciële beslissing. Het staat dan aan het Hof om in voorkomend geval vast te stellen dat het gemeenschappelijke standpunt beoogt rechtsgevolgen voor derden teweeg te brengen, de ware aard ervan vast te stellen en uitspraak te doen bij wijze van prejudiciële beslissing.

55 Het Hof is ook bevoegd om de wettigheid van dergelijke handelingen na te gaan in elk door een lidstaat of de Commissie onder de voorwaarden van artikel 35, lid 6, EU ingesteld beroep.

56 Ten slotte zij eraan herinnerd dat het aan de lidstaten en met name aan de nationale rechters staat om de nationale regels van procesrecht betreffende het instellen van beroepen aldus uit te leggen en toe te passen dat natuurlijke en rechtspersonen in rechte kunnen opkomen tegen iedere beschikking of enigerlei andere nationale maatregel waarbij een handeling van de Europese Unie ten aanzien van hen nader wordt uitgewerkt of wordt toegepast, en vergoeding kunnen vorderen van de schade die zij in voorkomend geval hebben geleden.

57 Hieruit volgt dat rekwiranten ten onrechte stellen dat zij in strijd met het vereiste van een daadwerkelijke rechterlijke bescherming tegen het betwiste gemeenschappelijke standpunt geen beroep kunnen instellen en dat de bestreden beschikking hun recht op een dergelijke bescherming schendt. Het middel dient dus te worden afgewezen.