Contentverzamelaar

EHRM aanvaardt niet-inhoudelijke motivering door de Hoge Raad bij afwijzing verzoek om prejudiciële vraag aan EU-Hof
Het Mensenrechtenhof in Straatsburg heeft aanvaardt dat de Hoge Raad zaken met een niet-inhoudelijke motivering afdoet, ook als een partij heeft verzocht de zaak via prejudiciële vragen voor te leggen aan het EU-Hof. Deze situatie is niet in strijd met het recht op een eerlijk proces.

Het gaat om de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 24 april 2018 in Application no. 55385/14.

De feiten

De rechtbank te Zutphen heeft verzoeker veroordeeld voor het vervoeren van heroïne en verschillende gevallen van mensenhandel, zoals gedefinieerd in artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht. In beroep oordeelt het Gerechtshof dat verzoeker om redenen van financieel gewin het ongeoorloofde verblijf van in totaal 20 Iraakse migranten in Nederland, Duitsland en Denemarken heeft gefaciliteerd. Hiertegen stelt verzoeker cassatie bij de Hoge Raad.  Verzoeker voert aan dat het Gerecht hem had veroordeeld wegens ongeoorloofd "verblijf", zoals gedefinieerd in artikel 197a, § 2 van het Wetboek van Strafrecht, terwijl het verblijf van de migranten in Nederland en Duitsland slechts van korte duur en voorbijgaande aard was waardoor er geen sprake was van "verblijf". In dat verband verwijst de verzoeker naar het EU-recht, te weten EU-Richtlijn 2002/90/EG tot omschrijving van de hulp bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf en het EU-Kaderbesluit 2002/946/JBZ over de versterking van het strafrechtelijk kader ter voorkoming van hulp bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf.  Volgens verzoeker moet het begrip “verblijf” in de zin van artikel 197a, lid 2 van het Wetboek van Strafrecht worden begrepen als een langdurig verblijf, te onderscheiden van “doorvoer” of “binnenkomst” zoals gedefinieerd in artikel 197a, lid 1, dat bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn aan artikel 197a lid 1 was toegevoegd. Verzoekers middelen in cassatie bevatten geen verzoek aan de Hoge Raad om het EU-Hof van Justitie een prejudiciële vraag voor te leggen.

De advocaat-generaal van de Hoge Raad geeft in zijn conclusie aan dat artikel 197a, lid 2 van het Wetboek van Strafrecht een brede interpretatie vereist van het begrip "verblijf". De tenuitvoerlegging van de richtlijn en het kaderbesluit had als doel de werkingssfeer van artikel 197a te verruimen. Lid 2 van dit artikel heeft het begrip “verblijf” behouden, maar moet, volgens de advocaat-generaal, gelezen worden als “doorvoer” en “binnenkomst”. De advocaat-generaal concludeert derhalve tot afwijzing van de klacht van de verzoeker. Verzoeker dient vervolgens schriftelijke opmerkingen in naar aanleiding van het advies van de advocaat-generaal. Hierin verzoekt hij om een ​​prejudiciële verwijzing naar het EU-Hof over de interpretatie van "verblijf", "doorvoer" en "binnenkomst" in de context van de richtlijn en of het kaderbesluit. Dit verzoek om een prejudiciële verwijzing wordt zonder inhoudelijke motivering afgewezen door de Hoge Raad op basis van artikel 81 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie (Wet RO) – dat de Hoge Raad de mogelijkheid biedt een cassatieberoep af te wijzen omdat het geen grond vormt om de bestreden beslissing te vernietigen en geen beslissing over rechtsvragen noodzakelijk maakt – en artikel 80a Wet RO– dat de Hoge Raad de mogelijkheid biedt een cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren omdat het geen kans van slagen biedt. Hierop dient verzoeker een klacht in bij het EHRM dat Nederland artikel 6 EVRM heeft geschonden door het verzoek niet geheel te motiveren en niet geheel te zijn ingegaan op de zgn. Cilfit-criteria. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM kan het (ongemotiveerd) afwijzen van een verzoek om prejudiciële vragen te stellen zonder dat toepassing wordt geven aan de criteria van het EU-Hof in de zaak C-283/81, CILFIT leiden tot een schending van artikel 6 EVRM.

Overwegingen van het EHRM

Volgens het EHRM kan de weigering van een nationale rechterlijke instantie om een prejudiciële vraag te stellen in bepaalde omstandigheden leiden tot een schending wanneer blijkt dat de weigering niet voldoende gemotiveerd is. Dit is het geval indien de weigering op een andere grond dan de in de regels vervatte gronden berust, of indien de weigering niet naar behoren met redenen is omkleed. Het recht op een met reden omklede beslissing beschermt de betrokkene tegen willekeur, bewijst dat hij is gehoord en laat zien dat de rechter op objectieve gronden zijn beslissing heeft genomen. Maar de in het artikel 6 EVRM neergelegde verplichting voor de nationale rechterlijke instanties betekent niet dat elk argument gedetailleerd gemotiveerd dient te worden. Om te bepalen of de motiveringsplicht is nagekomen moet er per zaak gekeken worden naar de omstandigheden van het geval.  

Met betrekking tot de onderhavige zaak merkt het EHRM op dat de Hoge Raad het cassatieberoep, waaronder het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen, gedeeltelijk heeft afgewezen op basis van een motivering op grond van artikel 81 van de Wet RO. Het EHRM wijst erop dat zij in het verleden heeft geoordeeld  dat het aanvaardbaar is onder artikel 6 EVRM dat een hoger nationaal rechtscollege een klacht kan afwijzen door louter te verwijzen naar een wettelijke bepaling. Het Hof is daarnaast ook van mening dat het niet strijdig is met artikel 6 EVRM indien de rechterlijke instanties zonder nadere toelichting een beroep zonder uitzicht op succes afwijst. In overeenstemming met de doelstellingen van de wetgever wordt met artikel 81 en artikel 80a van de Wet RO beoogd de duur van de procedure redelijk te houden en de rechterlijke instanties op doeltreffende wijze de mogelijkheid te geven zich te concentreren op hun kerntaken, zoals het waarborgen van een uniforme toepassing en een juiste uitlegging van de wet. De summiere redenering van de Hoge Raad en het gebruik van artikel 81 en 80 van de Wet RO impliceert dat wordt erkend dat een prejudiciële vraag niet tot een ander resultaat in de zaak zou kunnen leiden. Rekening houdend met deze uitleg wordt door het EHRM aanvaard dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is verklaard en dat er geen prejudiciële vraag is gesteld.  Daarnaast merkt het EHRM op dat het EU-Hof in de zaak C-3/16, ECLI:EU:C:2017:209 heeft geoordeeld dat de in artikel 267, derde alinea, EU-Werkingsverdrag bedoelde nationale rechterlijke instanties niet verplicht zijn om een bij hen opgeworpen vraag over de uitlegging van het recht van de Unie te verwijzen wanneer die vraag niet relevant is, d.w.z. wanneer het antwoord op die vraag, in welke vorm dan ook, geen invloed kan hebben op de uitkomst van de zaak.

Het EHRM oordeelt daarom dat er geen sprake is van een schending van artikel 6 EVRM. Een procedure kan met een summiere motivering worden afgewezen, in de zin van artikel 80a of 81 van de Wet RO, wanneer uit de omstandigheden van het geval blijkt dat de beslissing niet willekeurig of anderszins kennelijk onredelijk is.