Contentverzamelaar

Eisen Britse burgers over rechten na Brexit afgewezen
De eisen van een aantal Britse burgers om ook na Brexit in Nederland als EU-burgers te worden behandeld zijn te vaag en onbepaald om in kort geding toegewezen te kunnen worden. Daarom heeft het Gerechtshof in Amsterdam deze eisen in hoger beroep afgewezen.

Het gaat om de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 19 juni 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2018:2009).

Onder andere vijf in Nederland wonende Britse burgers hadden in kort geding vorderingen ingesteld tegen de Nederlandse Staat en de gemeente Amsterdam. Die hadden tot doel het veilig stellen van hun rechten als Europese burgers na de Brexit.

Geen prejudiciële vragen

Het hof is het eens met het door de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam gegeven oordeel dat niet kan worden gezegd dat het verlies van het EU-burgerschap zonder meer leidt tot het verloren gaan van de aan het EU-burgerschap ontleende rechten en vrijheden, met name voor wat betreft het recht op vrij verkeer en verblijf.

Het stellen van prejudiciële vragen aan het EU-Hof is echter niet noodzakelijk om uitspraak te doen in dit geschil. De vorderingen zijn volgens het gerechtshof in Amsterdam niet toewijsbaar omdat ze te vaag en onbepaald zijn om in dit kort geding toegewezen te kunnen worden.

Brexit-vonnis kort gedingrechter vernietigd

Eerder dit jaar wees de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam een vonnis waaruit bleek dat hij van plan was prejudiciële vragen te stellen aan het EU-Hof over de gevolgen van de Brexit voor Britse burgers in Nederland. Dit betrof onder meer de vraag of terugtrekking van het VK uit de EU leidt tot verval van het EU-burgerschap van Britse onderdanen en daarmee tot een verval van de aan dat EU-burgerschap te ontlenen rechten en vrijheden. Dat vonnis is nu dus door het hof vernietigd.

Meer info: