Contentverzamelaar

EU-Gerecht preciseert werking van Europees netwerk van mededingingsautoriteiten
De Europese Commissie mocht de klacht van easyJet tegen de door de luchthaven van Schiphol toegepaste tarieven afwijzen op grond van het feit dat de Nederlandse mededingingsautoriteit die klacht reeds had behandeld, maar om prioriteitsredenen had afgewezen.

Het gaat om het arrest van het EU-Gerecht van 21 januari 2014 in zaak T-355/13, easyJet Airline Co. Ltd tegen de Commissie.

EasyJet Airline Co. Ltd is een luchtvaartmaatschappij uit het Verenigd Koninkrijk die zeer actief is in de Europese Unie en met name vluchten aanbiedt van en naar de luchthaven Schiphol.

In 2008 heeft easyJet bij de Nederlandse mededingingsautoriteit (nu: Autoriteit Consument en Markt) klachten ingediend op grond van de nationale luchtvaartwetgeving en de mededingingswet. Deze klachten waren gericht tegen Luchthaven Schiphol NV, de exploitant van de luchthaven Schiphol, en hadden betrekking op de passagiers- en veiligheidstoeslagen.

De Nederlandse mededingingsautoriteit heeft deze klachten op grond van de Nederlandse luchtvaartwet afgewezen. Zij paste in dit verband haar beleid inzake de vaststelling van prioriteiten toe, op basis waarvan zij aan elk individueel geval dat zij behandelt een bepaalde graad van prioriteit kan toekennen. Haar afwijzingsbesluiten zijn definitief geworden op nationaal niveau.

Op 14 januari 2011 heeft easyJet een klacht ingediend bij de Commissie. Tot staving daarvan voerde zij aan dat de door Schiphol vastgestelde toeslagen discriminerend en excessief waren en dat Schiphol misbruik maakte van haar machtspositie op de binnenlandse markt (artikel 102 EU-Werkingsverdrag). Zij verwees naar de klachten die zij bij de Nederlandse mededingingsautoriteit had ingediend en betoogde dat die autoriteit geen enkele eindbeslissing over de gegrondheid van haar klacht in licht van het mededingingsrecht had genomen.  

Op 3 mei 2013 heeft de Commissie de klacht afgewezen, met name op grond van het feit dat deze klacht reeds door een nationale mededingingsautoriteit was behandeld (Besluit C(2013) 2727 final). Artikel 13, lid 2, van verordening nr. 1/2003 bepaalt namelijk dat de Commissie een klacht met betrekking tot een mededingingsverstorende gedraging mag afwijzen wanneer deze reeds is behandeld door een mededingingsautoriteit van een lidstaat.(*)  Bij deze verordening is een stelsel van parallelle bevoegdheden in het leven geroepen, op basis waarvan de Commissie en de mededingingsautoriteiten van de lidstaten deze artikelen kunnen toepassen. De nationale mededingingsautoriteiten en de Commissie vormen het „Europees netwerk van mededingingsautoriteiten” en werken nauw samen om de mededinging te handhaven.

EasyJet heeft tegen dat afwijzende besluit van de Commissie beroep ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie.

In zijn arrest geeft het Gerecht allereerst aan dat de Commissie bij de toepassing van artikel 13 van verordening nr. 1/2003 over een ruime beoordelingsmarge beschikt en dat het rechterlijk toezicht in deze context dus tot doel heeft dat de rechter zich ervan vergewist dat het besluit van de Commissie niet steunt op feitelijk onjuiste gegevens en dat de Commissie geen blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen, geen kennelijke beoordelingsfouten heeft gemaakt en haar bevoegdheid niet heeft misbruikt door ervan uit te gaan dat een mededingingsautoriteit van een lidstaat de klacht reeds heeft behandeld. Het toezicht op de besluiten van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten komt daarentegen enkel toe aan de nationale rechterlijke instanties, die een essentiële rol vervullen bij de toepassing van de mededingingsregels van de Unie.

Volgens het Gerecht mag de Commissie een klacht afwijzen die door een mededingingsautoriteit van een lidstaat reeds om prioriteitsredenen is afgewezen. Dit blijkt namelijk uit een letterlijke uitlegging van de betrokken bepaling, die geldt voor alle gevallen waarin klachten door een andere mededingingsautoriteit zijn onderzocht, ongeacht het resultaat van dat onderzoek. Deze uitlegging vindt ook steun in de algemene opzet van verordening nr. 1/2003. De Commissie mag een klacht immers afwijzen wanneer een mededingingsautoriteit van een lidstaat de zaak behandelt. Daaruit blijkt dus dat niet het resultaat van het door de mededingingsautoriteit gevoerde onderzoek van belang is, maar wel het feit dat de klacht door deze autoriteit is onderzocht. Tot slot stemt de gegeven uitlegging ook overeen met een van de hoofddoelstellingen van verordening nr. 1/2003, te weten een doeltreffend decentraal stelsel voor de toepassing van de mededingingsregels van de Unie in het leven te roepen.

Het Gerecht preciseert eveneens dat de Commissie een klacht mag afwijzen op grond van het feit dat een mededingingsautoriteit van een lidstaat deze klacht reeds heeft afgewezen na een onderzoek op basis van de conclusies waartoe zij in het kader van een op grond van andere bepalingen van het nationale recht verrichte analyse is gekomen, op voorwaarde dat dit onderzoek is gevoerd in het licht van het mededingingsrecht van de Unie.

In casu concludeert het Gerecht, zonder te oordelen over de gegrondheid van het besluit van de nationale mededingingsautoriteit of over de procedure die deze autoriteit heeft gevolgd of de methode die zij heeft gebruikt, dat de Commissie zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de nationale autoriteit de klacht op grond van de mededingingsregels van de Unie had behandeld. De nationale autoriteit heeft immers met name aangegeven in hoeverre de resultaten van haar op basis van het Nederlandse luchtvaartrecht verrichte analyse relevant waren voor het onderzoek dat zij op basis van het mededingingsrecht had gevoerd: zo heeft zij de gelijkenissen tussen de twee wettelijke regelingen beschreven, overwogen in welke mate de betrokken diensten gelijkwaardig waren en het door de tarieven van Schiphol veroorzaakte concurrentienadeel beoordeeld. Volgens het Gerecht was de Commissie dus terecht van mening dat de nationale autoriteit had onderzocht of de toeslagen evenredig waren aan de kosten, deze toeslagen had vergeleken met die van andere internationale luchthavens en deze had afgezet tegen de kwaliteit van de dienst die easyJet in ruil daarvoor ontving.

 

(*) Zie met betrekking tot de toepassing van artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1/2003, op grond waarvan de Commissie een klacht mag verwerpen wanneer een mededingingsautoriteit van een lidstaat de zaak behandelt, het arrest van het Gerecht van 17 december 2014, Si.mobil/Commissie, zaak T-201/11.