EU-Hof: ad hoc-arbitrageovereenkomst tussen lidstaat en investeerder uit andere lidstaat kan in strijd zijn met het EU-recht

Contentverzamelaar

EU-Hof: ad hoc-arbitrageovereenkomst tussen lidstaat en investeerder uit andere lidstaat kan in strijd zijn met het EU-recht
Een arbitragebeding in een tussen EU-lidstaten gesloten investeringsbeschermingsovereenkomst (IBO) is in strijd met de verplichtingen die voor de lidstaten voortvloeien uit het EU-recht. Dergelijke verplichtingen mogen ook niet worden omzeild door het sluiten van een ad hoc-arbitrageovereenkomst waarvan de inhoud overeenkomt met het arbitragebeding in de tussen de lidstaten gesloten IBO. Arbitrale vonnissen die zijn gewezen op basis van de ad hoc-arbitrageovereenkomst kunnen worden vernietigd. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van een Zweedse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 26 oktober 2021 in de zaak C-109/20, PL Holdings .

Achtergrond

De Luxemburgse vennootschap PL Holdings verkreeg tussen 2010 en 2013 meer dan 99 procent van de aandelen in een Poolse bank. In 2013 heeft een financieel toezichthouder in Polen het stemrecht van PL Holdings voor de aandelen in de bank ingetrokken en PL Holdings gelast de aandelen te verkopen.

Vervolgens is PL Holdings in november 2014 een arbitrageprocedure tegen Polen begonnen bij het Arbitrage-instituut van de Kamer van Koophandel van Stockholm (hierna: SCC). PL Holdings heeft zich daarbij beroepen op artikel 9 van de bilaterale investeringsbeschermingsovereenkomst tussen België en Luxemburg enerzijds, en Polen anderzijds (hierna: de IBO).

Het SCC heeft in september 2017 bij arbitraal vonnis geoordeeld dat Polen de IBO heeft geschonden en Polen veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan PL Holdings. Polen heeft de Zweedse rechter verzocht om nietigverklaring van het arbitrale vonnis van het SCC.

Het geschil is uiteindelijk terechtgekomen bij de hoogste Zweedse rechter in burgerlijke en strafzaken. Die rechter oordeelt dat het arbitragebeding in artikel 9 van de IBO in strijd is met het EU-recht. Daarbij verwijst de rechter naar de zaak C-284/16 (Achmea), waarin het EU-Hof heeft geoordeeld dat arbitragebedingen in tussen de lidstaten gesloten investeringsbeschermingsovereenkomsten onverenigbaar zijn met het EU-recht. 

De rechter stelt echter vast dat een lagere rechter heeft geoordeeld dat het arrest Achmea een lidstaat en een investeerder uit een andere lidstaat niet belet om in een later stadium een ad hoc-arbitrageovereenkomst te sluiten om het geschil te beslechten. Een dergelijke ad hoc-arbitrageovereenkomst kan worden gegrond op de gemeenschappelijke wil van de partijen. De rechter vraagt zich af of deze benadering verenigbaar is met het arrest Achmea en heeft daarom vragen aan het EU-Hof gesteld.

EU-Hof

Het EU-Hof bevestigt op basis van het arrest Achmea dat een arbitragebeding in een tussen EU-lidstaten gesloten investeringsbeschermingsovereenkomst (IBO) in strijd is met de verplichtingen die voortvloeien uit het EU-recht. Door de sluiting en toepassing van een dergelijke IBO onttrekken de deelnemende partijen de geschillen die betrekking kunnen hebben op de toepassing of de uitlegging van het EU-recht, aan de bevoegdheid van hun eigen rechterlijke instanties en daarmee aan het stelsel van rechtsmiddelen dat zij krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, EU-Verdrag moeten instellen op de onder het EU-recht vallende gebieden.

Volgens het EU-Hof mag een lidstaat die verplichtingen ook niet omzeilen door ad hoc een arbitrageovereenkomst met een investeerder te sluiten waarvan de inhoud overeenkomt met het nietige arbitragebeding in een tussen EU-lidstaten gesloten investeringsbeschermingsovereenkomst. De ad hoc-arbitrageovereenkomst heeft namelijk dezelfde rechtsgevolgen als het arbitragebeding. Die overeenkomst wordt immers alleen gesloten om het nietige arbitragebeding te vervangen.

Indien een geschil bij een arbitrage-instantie aanhangig wordt gemaakt op grond van een arbitragebeding in een tussen de lidstaten gesloten IBO of op grond van een ad hoc-arbitrageovereenkomst waarvan de inhoud overeenkomt met het arbitragebeding, zijn de lidstaten verplicht om de geldigheid van dat arbitragebeding of die overeenkomst te betwisten bij de arbitrage-instantie of bij de rechter.

Tenslotte oordeelt het EU-Hof dat een nationale rechter een arbitraal vonnis mag vernietigen wanneer dat vonnis gebaseerd is op een ad hoc-arbitrageovereenkomst die in strijd is met de verplichtingen die voortvloeien uit het EU-recht.

Meer informatie:

  • ECER-bericht – Arbitrage-afspraak tussen Nederland en Slowakije over investeringsbescherming in strijd met EU-recht