Contentverzamelaar

EU-Hof akkoord met Spaanse belastingheffing op megastores
De regionale belastingen die in Spanje op grote detailhandelszaken drukken, zijn niet in strijd met de EU-vrijheid van vestiging . Die belastingen beogen bij te dragen tot de bescherming van het milieu en de ruimtelijke ordening doordat zij de effecten van de activiteiten van grote handelszaken trachten te corrigeren en te compenseren. De vrijstellingen voor kleinere winkels vormen geen verboden staatssteun. Dat heeft het EU-Hof geantwoord op vragen van de hoogste Spaanse rechter.

Het gaat om de arresten van het EU-Hof van 26 april 2018 in de zaak C-233/16, Asociación Nacional de Grandes Empresas de Distribución (ANGED)/Generalitat de Catalunya; zaak C-234/16, Consejería de Economía y Hacienda del Principado de Asturias; zaak C-235/16, Consejo de Gobierno del Principado de Asturias; zaak C-236/16, Diputación General de Aragón; en zaak C-237/16, Diputación General de Aragón.

De feiten

Drie Spaanse autonome regio’s, Catalonië (zaak C-233/16), Asturië (zaken C-234/16 en C-235/16) en Aragon (zaken C-236/16 en C-237/16), hebben de op hun respectieve grondgebied gevestigde grote handelszaken aan regionale belastingen onderworpen. Die belastingen beogen de effecten die de activiteiten van deze grote handelszaken op de openbare ruimte en het milieu kunnen hebben te compenseren, doordat de opbrengsten worden bestemd voor milieuactieplannen en de verbetering van de infrastructuur.

De Asociación Nacional de Grandes Empresas de Distribución („ANGED”), een vereniging waarbij op nationale schaal grote detailhandelsondernemingen zijn aangesloten, heeft de wettigheid van de belastingen in kwestie aangevochten voor de Spaanse gerechten en de Commissie. De Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje), die zich over de beroepen van ANGED moet uitspreken, heeft twijfels over de verenigbaarheid van die regionale belastingen met de vrijheid van vestiging. Voor deze rechterlijke instantie rijst ook de vraag of de vrijstellingen waarin de drie regionale belastingen voorzien, verboden staatssteun in de zin van het EU-Werkingsverdrag (VWEU) kunnen vormen. Zij heeft het EU-Hof daarover vragen gesteld.

In zijn arresten verklaart het EU-Hof voor recht dat noch de vrijheid van vestiging noch het staatssteunrecht zich verzet tegen belastingen op grote handelszaken als die welke hier in geding zijn.

Wat de vrijheid van vestiging betreft, verklaart het EU-Hof allereerst dat het criterium inzake de verkoopoppervlakte van de zaak, dat is gekozen om te bepalen welke zaken aan de belasting zijn onderworpen, geen rechtstreekse discriminatie met zich brengt. Het voegt daaraan toe dat het er niet op lijkt dat dit criterium in de meeste gevallen onderdanen uit andere lidstaten of vennootschappen met zetel in andere lidstaten benadeelt.

Vervolgens onderzoekt het EU-Hof of de vrijstellingen waarin deze regionale belastingen voorzien, staatssteun in de zin van het VWEU vormen. Het zet uiteen dat niet kan worden uitgesloten dat het heffingscriterium inzake de verkoopoppervlakte in de praktijk bepaalde ondernemingen of bepaalde producties begunstigt, door hun lasten te verlagen ten opzichte van de ondernemingen en producties die zijn onderworpen aan de belastingen die hier aan de orde zijn. Het EU-Hof legt uit dat daarom moet worden bepaald of de handelszaken die van de werkingssfeer van deze belastingen zijn uitgesloten, zich al of niet in een vergelijkbare situatie bevinden als de zaken die daaronder vallen.

Het EU-Hof benadrukt dat de belastingen in kwestie tot doel hebben bij te dragen tot de bescherming van het milieu en tot de ruimtelijke ordening, door te trachten om de effecten voor het milieu en de openbare ruimte als gevolg van de activiteiten van grote handelszaken te corrigeren en te compenseren (met name die van de verkeersstromen die deze teweegbrengen), door deze zaken te laten bijdragen aan de financiering van maatregelen ten voordele van het milieu en de verbetering van de infrastructuur.

Wat betreft de vrijstelling die volgt uit het criterium op basis van de omvang van de zaken (in de belastingregelingen is een drempel vastgesteld waaronder de zaken van de betaling van de belastingen zijn vrijgesteld), verklaart het EU-Hof dat niet kan worden betwist dat het milieueffect van handelszaken voor het grootste deel van hun omvang afhangt. Immers, hoe groter het verkoopoppervlak, hoe meer publiek zal toestromen, wat zich vertaalt in een grotere aantasting van het milieu. Het EU-Hof is van oordeel dat een criterium op basis van een bepaalde verkoopoppervlakte om tussen de ondernemingen te differentiëren naargelang zij grotere of minder grote milieueffecten teweegbrengen, coherent is met de nagestreefde doelstellingen. Ook is duidelijk dat de vestiging van dergelijke zaken in termen van ruimtelijk ordeningsbeleid een bijzondere uitdaging is, ongeacht de ligging daarvan. Het EU-Hof oordeelt dat een criterium voor de onderwerping aan de belasting dat is gebaseerd op de verkoopoppervlakte, zoals hier aan de orde, tot gevolg heeft dat een onderscheid wordt gemaakt tussen categorieën van zaken die zich, gelet op de doelstellingen van de wetgeving waarbij dat criterium is vastgesteld, niet in een vergelijkbare situatie bevinden. Daarom kan de belastingvrijstelling voor handelszaken met een verkoopoppervlakte van minder dan de vastgestelde drempel niet worden geacht die zaken een selectief voordeel te verschaffen, zodat die geen staatssteun kan vormen.

Wat betreft de vrijstelling voor bepaalde van de activiteiten van de zaken, zoals bijvoorbeeld activiteiten op het gebied van tuinartikelen, de verkoop van voertuigen of bouwmaterialen (en in het geval van de Catalaanse belasting ook de vermindering van de belastbare grondslag met 60 % voor bepaalde activiteiten), voeren de regionale regeringen aan dat de aard van de activiteiten in kwestie grote verkoopoppervlakten noodzakelijk maakt, zonder dat met die oppervlakten wordt beoogd een groter aantal klanten aan te trekken of dat zij leiden tot een toename van het aantal kopers dat zich daar met hun particuliere voertuig naartoe begeeft. Deze activiteiten tasten het milieu en de ruimtelijke ordening dus minder aan dan de activiteiten van de zaken die onder de belasting in kwestie vallen. Het EU-Hof is van oordeel dat een dergelijk gegeven een rechtvaardiging kan vormen voor het onderscheid dat in het kader van die belastingen is gemaakt, die daarom geen selectieve voordelen opleveren voor de handelszaken die voor de vrijstellingen in aanmerking komen. Het Tribunal Supremo moet verifiëren of dit ook het geval is.

Het EU-Hof leidt daaruit af dat de van de omvang of de aard van de activiteiten van de zaak afhankelijke vrijstellingen waarin belastingen zoals in dit geval voorzien, geen staatssteun vormen, aangezien de zaken die daarvoor in aanmerking komen het milieu en de ruimtelijke ordening minder aantasten dan de andere.

Wat Catalonië betreft, heeft het criterium voor fiscale differentiatie dat verband houdt met de al dan niet apart gelegen locatie van de handelszaak, tot gevolg dat grote winkelcentra met een even grote of grotere verkoopoppervlakte dan de drempel waarboven de belasting verschuldigd is, van de belasting worden vrijgesteld. Het EU-Hof is van oordeel dat dit criterium ertoe leidt dat een onderscheid wordt gemaakt tussen twee categorieën van zaken die zich objectief in een vergelijkbare situatie bevinden, gelet op de doelstellingen van bescherming van het milieu en ruimtelijke ordening. Bijgevolg is het feit dat deze grote winkelcentra niet aan die belasting worden onderworpen, een selectieve maatregel die derhalve staatssteun vormt, aangezien aan de andere voorwaarden in het VWEU is voldaan.