Contentverzamelaar

EU-Hof: Boetes kunnen ook ten uitvoer worden gelegd tegen rechtspersonen in Polen
Het gegeven dat de Poolse omzettingswetgeving van het EU-kaderbesluit inzake boetes niet verwijst naar het begrip ‘rechtspersoon’, voorkomt niet dat de werking ervan zich ook uitstrekt tot rechtspersonen. De nationale rechter moet nagaan of de nationale bepalingen ruimte bieden om de bepalingen ook op rechtspersonen toe te passen. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van een Poolse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 4 maart 2020 in de zaak C-183/18 CJIB tegen BNP Paribas.

Kaderbesluit 2005/214 JBZ inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties (hierna: kaderbesluit) maakt het mogelijk dat geldelijke sancties binnen de EU worden erkend en ten uitvoer worden gelegd. Artikel 9 lid 3 van het kaderbesluit impliceert dat tenuitvoerlegging tegenover rechtspersonen ook mogelijk is. Dit kaderbesluit is in Polen omgezet in het wetboek van strafvordering (hierna: Sv). Artikel 611ff Sv bepaalt dat beslissingen ten uitvoer kunnen worden gebracht tegen plegers die zich op het Poolse grondgebied verblijven. De rechter in deze zaak, die over een verzoek tot tenuitvoerlegging moet oordelen, betwijfelt of de definitie pleger zich uitstrekt tot rechtspersonen. Volgens de rechter biedt het Poolse recht geen aanknopingspunten die ertoe leiden dat rechtspersonen onder het begrip pleger kunnen vallen. De rechter wil weten of het begrip rechtspersoon moeten worden uitgelegd in de definitie van de beslissingslidstaat, de tenuitvoerleggingslidstaat of op Unierechtelijke autonome wijze. Ook wil de verwijzende rechter weten of artikel 611ff Sv buiten toepassing moet worden verklaard als rechtspersonen niet onder artikel 611ff Sv vallen en de bepaling daardoor onverenigbaar is met artikel 9 lid 3 Kaderbesluit.

EU-Hof

Met betrekking tot de definitie van het begrip rechtspersoon brengt het Hof in herinnering dat het kaderbesluit zelf geen omschrijving bevat. Bij de uitlegging moet in zo’n geval worden uitgegaan van de algemene opzet en de doelstelling van het kaderbesluit. In relatie tot de algemene opzet verwijst het Hof naar artikel 5 van het kaderbesluit. Bij de vaststelling van enkele in dat artikel genoemde begrippen moet aansluiting worden gevonden bij het recht van de beslissingsstaat. Daarnaast heeft het kaderbesluit tot doel de wederzijdse erkenning van vonnissen na te streven. Dit betekent dat vonnissen zonder enige formaliteiten worden erkend. Deze erkenning verplicht de tenuitvoerleggende lidstaat ertoe te erkennen dat de beslissingsstaat volgens eigen recht heeft bepaald dat er sprake is van een rechtspersoon. Het begrip rechtspersoon moet dus worden uitgelegd naar het recht van de beslissingsstaat.

Op de tweede vraag antwoordt het Hof dat een nationale rechter niet verplicht is om een nationale regeling die in strijd is met een bepaling uit het kaderbesluit buiten toepassing te laten. Het Hof oordeelt dat regelingen slechts buiten toepassing kunnen worden gelaten wanneer de Unierechtelijke bepaling rechtstreekse werking heeft. Kaderbesluiten hebben geen rechtstreekse werking. Het nationale recht moet echter wel conform het kaderbesluit worden uitgelegd. In het kader van deze uitlegging kan het Hof slechts aanwijzingen geven. De Poolse regering geeft aan dat de wet zich niet verzet tegen de toepassing van de wet op rechtspersonen. Tevens wijst het Hof erop dat uit het dossier blijkt dat diverse Poolse rechters de wet al hebben toegepast op rechtspersonen. Deze aanwijzingen geven een indicatie dat geldelijke sancties tegen rechtspersonen in Polen ten uitvoer kunnen worden gebracht. Het is echter aan de nationale rechter om hier een definitief oordeel over te geven op grond van de aanwijzingen.

Meer informatie: