EU-Hof: Brussel Ibis-verordening regelt ook de interne rechterlijke bevoegdheid bij schadevergoedingsacties uit onrechtmatige daad

Contentverzamelaar

EU-Hof: Brussel Ibis-verordening regelt ook de interne rechterlijke bevoegdheid bij schadevergoedingsacties uit onrechtmatige daad
De Brussel Ibis-verordening regelt niet alleen welke EU-lidstaat bevoegd is met betrekking tot schadevergoedingsacties uit onrechtmatige daad, maar ook welke rechter in die EU-lidstaat zich bevoegd mag verklaren. De EU-lidstaten kunnen ervoor kiezen om de behandeling van geschillen te centreren bij gespecialiseerde gerechten, waaronder gerechten die zich alleen bezig houden met schendingen die voortvloeien uit inbreuken op het EU-mededingingsrecht. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van een Spaanse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 15 juli 2021 in de zaak C-30/20, Volvo Group .

Achtergrond

In verordening 1215/2012 (hierna: Brussel Ibis-verordening) zijn onder meer voorschriften neergelegd om te bepalen welke EU-lidstaat bevoegd is om te oordelen in een internationale civiele of handelszaak. Artikel 7, lid 2 van de Brussel Ibis-verordening regelt de internationale bevoegdheid van rechters met betrekking tot verbintenissen uit onrechtmatige daad. Op grond van die bepaling mag een rechter zich internationaal bevoegd verklaren wanneer de ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ binnen zijn lidstaat valt. Het begrip ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ ziet zowel op de plaats waar de schade is ingetreden als de plaats waar de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft plaatsgevonden ( C-21/76 ).

In juli 2016 heeft de Europese Commissie besluit C(2016) 4673 vastgesteld. De Commissie heeft in dat besluit vastgesteld dat vijftien vrachtwagenfabrikanten – waaronder drie in Zweden gevestigde vennootschappen van de Volvo-groep – hadden deelgenomen aan een tussen de fabrikanten afgestemde regeling die in strijd is met het Europese kartelverbod ( artikel 101 EU-Werkingsverdrag en artikel 53 Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna EER)). De fabrikanten hadden onder meer afspraken gemaakt over de prijsstelling en de verhoging van de prijzen van vrachtwagens.
Vanwege deze prijsafspraken – die door de Commissie zijn aangemerkt als inbreuk - heeft de Commissie geldboeten opgelegd aan de betrokken fabrikanten.

De in Cordoba (Spanje) gevestigde onderneming RH heeft tussen 2004 en 2009 meerdere vrachtwagens gekocht bij één van de drie vennootschappen van de Volvo-groep. Na de vaststelling van besluit C(2016) 4673 door de Europese Commissie heeft RH de drie vennootschappen en een Spaanse dochteronderneming van die vennootschappen gedagvaard voor de Spaanse rechter. RH vordert vergoeding van de schade die hij zou hebben geleden als gevolg van de inbreuk van de vennootschappen op artikel 101 EU-Werkingsverdrag en artikel 53 EER. De vennootschappen hebben echter bij de Spaanse rechter aangevoerd dat de rechter niet internationaal bevoegd is om over de schadevergoedingsactie te oordelen, omdat de mededingingsbeperkende regeling niet in Spanje is overeengekomen.

De Spaanse rechter stelt vast dat hij zich internationaal bevoegd zou kunnen verklaren omdat de schade zich heeft voorgedaan in Spanje. Deze rechter twijfelt echter of hij ook  intern bevoegd is om te oordelen. De rechter vraagt daarom aan het EU-Hof of artikel 7, lid 2, Brussel Ibis-verordening alleen de internationale bevoegdheid (welke EU-lidstaat is bevoegd) regelt of dat die bepaling ook de interne relatieve bevoegdheid (welke rechter in die EU-lidstaat is bevoegd) regelt. 

EU-Hof

Het EU-Hof oordeelt dat artikel 7, lid 2 van de Brussel Ibis-verordening zowel de internationale bevoegdheid als de interne relatieve bevoegdheid regelt. Vervolgens gaat het EU-Hof in op de vraag hoe de internationale bevoegdheid en de interne relatieve bevoegdheid moet worden vastgesteld.

Vaststelling van de internationale bevoegdheid

In deze zaak gaat het om een schadevordering wegens een op artikel 101 EU-Werkingsverdrag gemaakte inbreuk die onder meer bestaat in heimelijke afspraken over de prijsstelling en de verhoging van de prijzen van goederen (vrachtwagens). Het EU-Hof oordeelt dat de ‘plaats waar de schade is ingetreden’ in het geval van een dergelijke inbreuk gelegen is in de EU-lidstaat waar de mededingings-verstorende praktijken invloed hebben gehad op de markt. Deze beïnvloeding van de markt ziet op de extra kosten die door de benadeelden zijn gemaakt doordat bijvoorbeeld de vrachtwagenprijzen kunstmatig hoog werden gehouden. De EU-lidstaat waar die beïnvloede markt ligt, is internationaal bevoegd. Spanje behoort volgens het EU-Hof in casu tot de markt die door de heimelijke afspraken is verstoord.

Vaststelling van de relatief bevoegde rechter

Na de vaststelling welke EU-lidstaat internationaal bevoegd is, geeft het EU-Hof aanknopingspunten om te bepalen welk gerecht van die EU-lidstaat zich bevoegd mag verklaren. Volgens het EU-Hof mag de rechter van de plaats waar de goederen zijn aangekocht zich bevoegd verklaren.

Het EU-Hof oordeelt echter dat de ‘plaats van aankoop’ niet als aanknopingspunt voor de interne relatieve bevoegdheid kan worden gebruikt wanneer de aankopen op meerdere plekken in verschillende rechtsgebieden zijn verricht. In dergelijke gevallen is volgens het EU-Hof de rechter van de plaats waar de benadeelde onderneming zijn statutaire zetel heeft bevoegd om over de zaak te oordelen.

Het EU-Hof oordeelt eveneens dat de lidstaten bevoegd blijven om in het kader van de organisatie van de rechterlijke macht het rechtsgebied van de bevoegde gerechten te bepalen. In dat kader kunnen de lidstaten gerechten instellen die gespecialiseerd zijn in bijvoorbeeld schendingen die voortvloeien uit inbreuken op het EU-mededingingsrecht.

Meer informatie: