Contentverzamelaar

EU-Hof: Consument hoeft geen rente te betalen als kredietgever zijn kredietwaardigheid niet heeft onderzocht
Vanuit het oogpunt van de consumentenbescherming moet een rechter op eigen initiatief onderzoeken of de kredietgever de kredietwaardigheid van zijn wederpartij-consument heeft onderzocht. Indien de kredietgever dit heeft nagelaten, is het verlies van het recht op betaling van de rente een evenredige sanctie. De consument hoeft daarvoor niet de nietigheid van de kredietovereenkomst in te roepen en ook niet binnen een bepaalde termijn. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van een Tsjechische rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 5 maart 2020 in de zaak C-679/18 OPR Finance tegen GK .

OPR Finance heeft een kredietovereenkomst afgesloten met GK. GK is een consument. In deze zaak is EU-richtlijn 2008/48 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten (hierna: richtlijn) van belang. Artikel 8 van de richtlijn bepaalt dat de kredietgever verplicht is om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen. Artikel 23 van de richtlijn bepaalt dat bij niet naleving van de richtlijnbepalingen een sanctie moet worden opgelegd. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De Tsjechische omzettingswetgeving van de richtlijn bepaalt dat de consument bij schending van artikel 8 van de richtlijn de nietigheid van de overeenkomst kan inroepen. Er geldt een verjaringstermijn van drie jaar voor de nietigheidsactie. Als de nietigheid wordt ingeroepen verliest de kredietgever zijn recht op betaling van de overeengekomen rente.

GK is niet in staat gebleken om de aflossingstermijnen van de kredietovereenkomst te betalen. OPR Finance heeft een verzoek ingediend bij de rechter tot betaling van deze termijnen vermeerderd met een wettelijke vertragingsrente. GK heeft geen beroep gedaan op zijn recht om de nietigheid van de overeenkomst in te roepen. OPR Finance heeft niet gesteld of bewezen dat hij de kredietwaardigheid van GK heeft onderzocht. De rechter besloot vragen te stellen aan het EU-Hof. Ten eerste wil de rechter weten of hij op eigen initiatief (‘ambtshalve’) dient te onderzoeken of sprake is van een schending van artikel 8 van de richtlijn. Ten tweede wil de rechter antwoord op de vraag of het verliezen van het recht op betaling van de overeengekomen rente een sanctie is die voldoet aan artikel 23 van de richtlijn.

EU-Hof

Met betrekking tot de eerste vraag brengt het EU-Hof in herinnering dat het herhaaldelijk heeft geoordeeld dat bepalingen inzake consumentenbescherming ambtshalve dienen te worden onderzocht. Artikel 8 lid 1 heeft tot doel om te voorkomen dat kredietgevers krediet verstrekken aan consumenten die niet kredietwaardig zijn. Een consument zal zich echter vaak uit onwetendheid niet beroepen op de bescherming van artikel 8 lid 1. Het streven naar een effectieve consumentenbescherming vereist dan ook dat de rechter in zo’n geval ambtshalve beoordeelt of de in artikel 8 neergelegde verplichting is nagekomen. De consument hoeft zich niet te beroepen op de bescherming van artikel 8 lid 1. Het EU-Hof bevestigt dus met deze zaak ook met betrekking tot artikel 8 lid 1 van de richtlijn de plicht tot ambtshalve toetsing.

In relatie tot de tweede vraag overweegt het EU-Hof dat bij een schending van artikel 8 lid 1 de nationale rechter daaraan alle consequenties moet verbinden die het nationale recht daaraan verbindt. Ook hiervoor hoeft de consument geen verzoek in te dienen. De sancties moeten echter wel voldoen aan artikel 23 van de richtlijn. Artikel 23 van de richtlijn bepaalt dat de sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend moeten zijn. Daarnaast moeten de sancties daadwerkelijk worden toegepast. Het is aan de nationale rechter om na te gaan of de sancties voldoen aan deze uitgangspunten.

In het kader van de toetsing door de nationale rechter kan het EU-Hof aanwijzingen geven. Het EU-Hof overweegt dat het verliezen van het recht op betaling van de rente een evenredige sanctie is in verhouding tot de ernst van de schending. In deze context benadrukt het EU-Hof echter dat deze sanctie niet op een andere wijze mag worden afgezwakt of teniet gedaan. Het EU-Hof wijst met name op de verjaringstermijn van drie jaar. Een consument moet zich binnen drie jaar op de nietigheid beroepen. Deze verjaringstermijn is onverenigbaar met het eerdere oordeel van het EU-Hof dat de rechter ambtshalve dient te onderzoeken of artikel 8 lid 1 van de richtlijn is geschonden. Een consument hoeft namelijk de schending van artikel 8 lid 1 van de richtlijn niet zelf in te roepen. De consument is daardoor ook niet gebonden aan een verjaringstermijn, aldus het EU-Hof.