EU-Hof: een echtgenoot die in twee lidstaten verblijft en een gerechtelijk verzoek om echtscheiding doet kan slechts in een lidstaat een gewone verblijfplaats hebben

Contentverzamelaar

EU-Hof: een echtgenoot die in twee lidstaten verblijft en een gerechtelijk verzoek om echtscheiding doet kan slechts in een lidstaat een gewone verblijfplaats hebben
Het begrip ‘gewone verblijfplaats’ van een echtgenoot in de zin van de Brussel II bis-verordening kan slechts op één gewone verblijfplaats zien, ook al verdeelt betreffende echtgenoot zijn leven over twee lidstaten. Slechts de gerechten van de lidstaat waar die gewone verblijfplaats is gelegen, zijn bevoegd om kennis te nemen van een verzoek om echtscheiding. Dat is het antwoord van het EU-Hof op prejudiciële vragen van de Franse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 25 november 2021 in de zaak IB tegen FA, C-289/ 20 (zie hier de voorlopige NL editie).

Achtergrond
IB, die de Franse nationaliteit heeft, en zijn echtgenote FA, een Ierse, zijn in 1994 in Ierland in het huwelijk getreden. Zij hebben drie kinderen, die inmiddels meerderjarig zijn.

In december 2018 heeft IB een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de Franse rechter in  eerste aanleg. In juli 2019 heeft de familierechter van die rechterlijke instantie zich overeenkomstig de vordering van FA relatief onbevoegd verklaard om uitspraak te doen over de echtscheiding. Volgens die rechter is de enkele omstandigheid dat de arbeidsplaats van IB zich in Frankrijk bevindt, niettegenstaande de fiscale en administratieve gevolgen en de levensgewoonten die daaruit voortvloeien, namelijk niet voldoende om daaruit af te leiden dat hij zijn gewone verblijfplaats in Frankrijk heeft willen vestigen.

IB stelt hoger beroep in tegen die uitspraak bij de rechter in tweede aanleg en verzoekt daarbij de rechter in eerste aanleg relatief bevoegd te verklaren om uitspraak te doen inzake de echtscheiding. IB betoogt dat hij zijn beroepswerkzaamheden sinds 2010 in Frankrijk uitoefent en sinds mei 2017 op vaste en bestendige wijze. Bovendien is hij in Frankrijk ingetrokken in een appartement van zijn vader, leidt hij er een sociaal leven en is de weigering van zijn echtgenote om in Frankrijk te komen wonen de reden waarom de echtgenoten in het dagelijks leven langs elkaar heen zijn gaan leven. FA stelt op haar beurt dat zij nooit hebben overwogen om zich met hun gezin in Frankrijk te vestigen. De gewone verblijfplaats van het gezin bevindt zich dus in Ierland en IB heeft zijn verblijfplaats nooit gewijzigd, maar heeft alleen zijn werkadres gewijzigd. Het feit dat IB sedert meer dan 6 maanden in Frankrijk werkzaam is en aldaar zijn inkomsten verwerft is volgens FA onvoldoende om te stellen dat hij er zijn gewone verblijfplaats in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van verordening 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (de Brussel II bis-verordening) heeft.

Volgens de verwijzende rechter (de rechter in tweede aanleg) zijn er meerdere factoren die wijzen op de persoonlijke en gezinsband van IB met Ierland, waar hij sinds 1999 woonde met echtgenote en kinderen en waar hij elk weekend heen ging om hen te zien. Echter, de banden van IB met Ierland sluiten niet uit dat hij ook banden heeft met Frankrijk, waar hij sinds 2017 elke week naar terugkeerde om er te werken. In feite had IB twee verblijfplaatsen (doordeweeks in Parijs voor werk en de rest van de tijd bij echtgenote en kinderen in Ierland). De verwijzende rechter oordeelt dat de aanknopingspunten van IB met Frankrijk niet van incidentele aard of door de omstandigheden ingegeven zijn en dat IB het centrum van zijn zakelijke belangen in elk geval sinds mei 2017 in Frankrijk heeft gevestigd. Tegelijkertijd heeft IB zijn verblijfplaats in Ierland niet verloren en heeft hij daar nog steeds familiebanden en regelmatig verblijf om persoonlijke redenen. De rechter leidt daaruit af dat de Ierse en de Franse gerechten gelijkelijk bevoegd zijn om uitspraak te doen ter zake van de echtscheiding van de betrokken echtgenoten. De rechter verwijst naar het arrest Hadadi (C‑168/08) maar geeft aan dat de definitie van “gewone verblijfplaats” in de zin van artikel 3, lid 1, onder a) van de Brussel II bis-verordening uiteindelijk een autonoom, door het EU-Hof uit te leggen Unierechtelijk begrip is.

De verwijzende rechter wendt zich daarom tot het EU-Hof met de prejudiciële vraag welke gerechten op grond van artikel 3, lid 1, onder a), van de Brussel II bis-verordening bevoegd zijn om uitspraak te doen over de echtscheiding van IB en FA. In het bijzonder wil de verwijzende rechter van het EU-Hof vernemen of een echtgenoot die op grond van de feitelijke omstandigheden blijkt zijn leven te verdelen tussen twee lidstaten ook zijn gewone verblijfplaats in die twee lidstaten kan hebben, zodat de gerechten van beide lidstaten bevoegd zijn om uitspraak te doen over de echtscheiding.

EU-Hof

Het EU-Hof stelt dat in deze omstandigheden moet worden nagegaan of artikel 3, lid 1, onder a), van de Brussel II bis-verordening (hierna: de verordening) zo moet worden uitgelegd dat een echtgenoot op één bepaald moment slechts één gewone verblijfplaats in de zin van deze bepaling kan hebben.

Om te beginnen stelt het EU-Hof vast dat de verordening geen definitie bevat van het begrip „gewone verblijfplaats” (van een echtgenoot) in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van deze verordening.

Aangezien de verordening geen dergelijke definitie en geen uitdrukkelijke verwijzing naar het recht van de lidstaten bevat waarmee de betekenis en de strekking van dit begrip kunnen worden bepaald, dient volgens het EU-Hof een autonome en uniforme uitleg te worden gegeven, rekening houdend met de context van de bepalingen waarin dat begrip wordt vermeld en met de doelstellingen van die verordening (zie naar analogie, met betrekking tot de gewone verblijfplaats van het kind ook zaak HR, C‑512/17).

Ten eerste benadrukt het EU-Hof dat noch artikel 3, lid 1, onder a), van de verordening noch andere bepalingen van deze verordening dit begrip in de meervoudsvorm vermelden. De verordening voorziet niet in de mogelijkheid dat een en dezelfde persoon gelijktijdig meerdere gewone verblijfplaatsen of een gewone verblijfplaats op meerdere plaatsen heeft. In dit verband heeft de Uniewetgever er in artikel 66, onder a), van de verordening overigens ook op gewezen dat ten aanzien van een lidstaat waar met betrekking tot de onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld, twee of meer rechtsstelsels van toepassing zijn in verschillende gebiedsdelen, „met de gewone verblijfplaats in die lidstaat de gewone verblijfplaats in een gebiedsdeel wordt bedoeld”.

Ten tweede oordeelde het EU-Hof bij de uitleg van de verordening reeds eerder dat uit het gebruik van het adjectief „gewone” kan worden afgeleid dat de verblijfplaats een zekere bestendigheid of regelmatigheid moet hebben, en dat de verplaatsing door een persoon van zijn gewone verblijfplaats naar een bepaalde lidstaat de wil van die persoon weerspiegelt om er het permanente of gewone centrum van zijn belangen te vestigen, met de bedoeling daaraan een vast karakter te verlenen (zie in die zin ook zaak Mercredi, C‑497/10 PPU).

Ten derde stelt het EU-Hof dat deze zienswijze steun vindt in de doelstelling die wordt nagestreefd met de in artikel 3, lid 1, onder a), van de verordening neergelegde bevoegdheidsregels, namelijk het waarborgen van een evenwicht tussen de mobiliteit van personen binnen de EU en de rechtszekerheid (zie ook zaak Mikołajczyk, C‑294/15).

Ten vierde merkt het EU-Hof op dat de uitleg van de bevoegdheidsregels van artikel 3, lid 1, onder a), van de verordening gevolgen heeft die zich niet beperken tot de ontbinding van de huwelijksband als zodanig.

Ten vijfde wordt volgens het EU-Hof aan al deze overwegingen geen afbreuk gedaan door de uitleg die het EU-Hof in het arrest Hadadi (C‑168/08), heeft gegeven aan artikel 3, lid 1, onder b), van de verordening. Het EU-Hof erkende hier dat de gerechten van meerdere lidstaten bevoegd kunnen zijn wanneer de betrokkenen meerdere nationaliteiten bezitten.

Het EU-Hof merkt op dat uit een en ander volgt dat het weliswaar niet is uitgesloten dat een echtgenoot gelijktijdig meerdere verblijfplaatsen kan hebben, maar dat hij op één bepaald moment slechts één gewone verblijfplaats in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van de verordening kan hebben.

Aangezien het begrip „gewone verblijfplaats” in wezen een feitelijke kwestie is, is het volgens het EU-Hof aan de verwijzende rechter om op basis van alle feitelijke omstandigheden van het concrete geval na te gaan of de lidstaat van de door IB aangezochte nationale rechterlijke instantie overeenkomt met de plaats waar verzoeker zijn gewone verblijfplaats in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), zesde streepje, van de verordening heeft.

Het EU-Hof herinnert eraan dat bij de uitleg van de bepalingen van de verordening voor wat betreft de ouderlijke verantwoordelijkheid is geoordeeld dat voor de bepaling van de gewone verblijfplaats van een kind - in het bijzonder een kind van jonge leeftijd dat in het dagelijks leven afhankelijk is van zijn ouders- moet worden nagegaan waar deze ouders zich stabiel ophouden en in een sociale en familiale omgeving zijn geïntegreerd. Hierbij kan rekening worden gehouden met de bedoeling om zich aldaar te vestigen, wanneer aan die bedoeling uiting is gegeven door tastbare maatregelen. Deze rechtspraak hanteert de sociale en familiale omgeving van de ouders van het (jonge) kind als essentieel criterium voor de bepaling van de gewone verblijfplaats van dat kind.

Het EU-Hof merkt op dat de bijzondere omstandigheden die kenmerkend zijn voor de gewone verblijfplaats van een kind uiteraard niet op alle punten identiek zijn aan die op basis waarvan de gewone verblijfplaats in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van de verordening van een echtgenoot kan worden bepaald. Zo kan een echtgenoot vanwege de echtelijke crisis besluiten om de voormalige gewone verblijfplaats van het echtpaar te verlaten om zich in een andere lidstaat dan die van de voormalige verblijfplaats te vestigen en aldaar een verzoek tot ontbinding van de huwelijksband in te dienen onder de voorwaarden van artikel 3, lid 1, onder a), vijfde of zesde streepje, van de verordening, waarbij hij volledig vrij is om bepaalde sociale en familiebanden in stand te houden in de lidstaat van de voormalige gewone verblijfplaats van het echtpaar.

De leefomgeving van een volwassene is noodzakelijkerwijs gevarieerder dan die van een (jong) kind en omvat een aanzienlijk breder scala aan activiteiten en uiteenlopende belangen, zoals professionele, socioculturele en vermogens-, privé- en gezinsbelangen. Het EU-Hof merkt op dat niet kan worden verlangd dat die belangen zich op het grondgebied van één enkele lidstaat concentreren, met name gelet op de doelstelling van de verordening om verzoeken tot ontbinding van de huwelijksband te vergemakkelijken door soepele conflictregels in te voeren en de rechten te beschermen van de echtgenoot die na de echtelijke crisis de lidstaat van de gemeenschappelijke verblijfplaats heeft verlaten. Dit neemt echter niet weg dat, wat de uitleg van artikel 3, lid 1, onder a), van de verordening betreft, op basis van de rechtspraak kan worden geoordeeld dat het begrip „gewone verblijfplaats” in beginsel wordt gekenmerkt door twee aspecten. Ten eerste, de wil van de betrokkene om het gewone centrum van zijn belangen op een bepaalde plaats te vestigen en, ten tweede, de omstandigheid dat de betrokkene met een voldoende mate van bestendigheid aanwezig is op het grondgebied van de betrokken lidstaat.

Een echtgenoot die zich wil beroepen op de in artikel 3, lid 1, onder a), vijfde of zesde streepje, van de verordening neergelegde bevoegdheidsgrond moet volgens het EU-Hof dan ook noodzakelijkerwijs zijn gewone verblijfplaats hebben verplaatst naar een andere lidstaat dan die van de voormalige gemeenschappelijke gewone verblijfplaats en dus aan bovengenoemde twee aspecten voldoen.

De gegevens in het dossier waarover het EU-Hof beschikt lijken erop te wijzen dat het verblijf van IB op het grondgebied van die lidstaat een vast karakter heeft en kan er in elk geval ook op wijzen dat de betrokkene in een sociale en culturele omgeving in die lidstaat is geïntegreerd. Het is aan de verwijzende rechterlijke instantie om na te gaan of daadwerkelijk kan worden aangenomen dat de betrokkene zijn gewone verblijfplaats heeft verplaatst naar de lidstaat waar die rechterlijke instantie gevestigd is.

Het EU-Hof concludeert dat artikel 3, lid 1, onder a), van de Brussel II bis-verordening, zo moet worden uitgelegd dat een echtgenoot die zijn leven verdeelt tussen twee lidstaten, slechts in één van deze lidstaten zijn gewone verblijfplaats kan hebben, zodat uitsluitend de gerechten van de lidstaat waar die gewone verblijfplaats gelegen is, bevoegd zijn om kennis te nemen van het verzoek tot ontbinding van de huwelijksband.

Meer informatie:
ECER-dossier: Huwelijkszaken en ouderlijke verantwoordelijkheid