EU-Hof: een nationale regeling die tot verschil in duur van nachtarbeid in de particuliere en publieke sector leidt is niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel

Contentverzamelaar

EU-Hof: een nationale regeling die tot verschil in duur van nachtarbeid in de particuliere en publieke sector leidt is niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel
Het gelijkheidsbeginsel vereist niet dat de normale duur van nachtarbeid die in de wettelijke regeling van een lidstaat voor werknemers in de particuliere sector is vastgesteld, ook geldt voor werknemers in de publieke sector. Een verschil in behandeling is mogelijk mits het is gebaseerd op objectieve en redelijke criteria en het verband houdt met een wettelijk toelaatbaar en evenredig doel. Ook is het niet verplicht om in een nationale regeling te stellen dat de normale duur van de nachtarbeid korter is dan die van de dagarbeid. Dat is het antwoord van het EU-Hof op prejudiciële vragen van de Bulgaarse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 24 februari 2022 in de zaak C-262/ 20 (VB tegen Bulgaarse ministerie van Binnenlandse zaken).

Achtergrond

VB werkt bij de brandweer binnen de hoofddirectie „Brandveiligheid en civiele bescherming” van het Bulgaarse ministerie van Binnenlandse zaken. In de periode oktober 2016 tot oktober 2019 heeft VB nachtarbeid verricht. Hij meent dat hij over dit tijdvak recht heeft op opwaardering van de nachtarbeid zoals bepaald in een Bulgaars besluit van 2007 dat is genomen onder de Bulgaarse wet inzake het ministerie van Binnenlandse zaken. Volgens dat besluit had de hoofddirectie volgens hem de uren nachtarbeid moeten omzetten in uren dagarbeid met een bepaalde vermenigvuldigingscoëfficiënt, zodat zeven uur nachtarbeid gelijk had gestaan aan acht uur dagarbeid.

Deze hoofddirectie heeft geweigerd om VB ongeveer 860 euro aan overurenvergoeding uit te keren over de nachtarbeid die hij in dat tijdvak had verricht. Daarop heeft VB beroep ingesteld bij de Bulgaarse rechter in eerste aanleg (verwijzende rechter in deze EU-Hofzaak) met het oog op veroordeling van de hoofddirectie tot uitkering van die vergoeding.

De hoofddirectie bestrijdt de vordering van VB op grond dat er, sinds een Bulgaars besluit van 2014 (onder de Bulgaarse wet inzake het ministerie van BZK) over onder meer de omzetting van uren nachtarbeid naar uren dagarbeid aan de hand van een corrigerende vermenigvuldigings-coëfficiënt is ingetrokken, geen rechtsgrond meer bestaat om de uren nachtarbeid om te zetten in uren dagarbeid en dat het besluit van 2007 niet van toepassing is op de ambtenaren van het ministerie van Binnenlandse Zaken.

De verwijzende rechter heeft een aantal vragen over toepassing van richtlijn 2003/88 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd  en over artikel 20 en 31 van het Handvest van de grondrechten van de EU in deze zaak. Hij schorst de behandeling van de zaak en verzoekt het EU-Hof om een prejudiciële beslissing over een drietal vragen.

EU-Hof

Het EU-Hof merkt op dat de derde vraag van de verwijzende rechter overweging 8 van richtlijn 2003/88 betreft en de vraag of het daarin neergelegde doel om de duur van nachtarbeid te beperken alleen doeltreffend kan worden bereikt als in het nationale recht uitdrukkelijk de normale duur van nachtarbeid, ook voor werknemers in de publieke sector, is vastgelegd . Het EU-Hof brengt in herinnering dat de overwegingen weliswaar integrerend deel van de richtlijn uitmaken en de doelstellingen ervan verduidelijken, maar op zichzelf niet bindend zijn. Daarentegen betreft het tevens door de verwijzende rechter aan de orde gestelde artikel 8 van deze richtlijn de nachtarbeid. De beslechting van het hoofdgeding hangt volgens de verwijzende rechter af van de uitlegging door het EU-Hof van het begrip „duur van de nachtarbeid” in de zin van dat artikel 8.

In dit kader stel het EU-Hof vast dat richtlijn 2003/88 de gemeenschappelijke minimumvoorschriften vaststelt waarmee nachtarbeiders aanvullend worden beschermd. D eze richtlijn bevat geen aanwijzing dat er een verschil of een verhouding bestaat tussen de normale duur van nachtarbeid en die van dagarbeid. De eerste duur kan bijgevolg in beginsel onafhankelijk van de tweede worden vastgesteld. De richtlijn vereist niet dat er maatregelen worden getroffen waarmee een verschil wordt ingesteld tussen de normale duur van nachtarbeid en die van dagarbeid. Ook vereist de richtlijn niet dat er een bijzondere bepaling wordt vastgesteld die specifiek de normale en de maximumduur van nachtarbeid regelt, mits die duur wordt beperkt overeenkomstig de voorwaarden van artikel 8 van deze richtlijn.

Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te kunnen geven moeten volgens het EU-Hof de eerste en de derde vraag gezamenlijk worden onderzocht, en aldus worden opgevat dat er in wezen mee wordt beoogd te vernemen of artikel 8 en artikel 12, onder a), van richtlijn 2003/88 zo moeten worden uitgelegd dat zij een nationale regeling verplicht stellen die bepaalt dat de normale duur van de nachtarbeid voor werknemers in de publieke sector, zoals politieagenten en brandweerlieden, korter is dan de normale duur van de dagarbeid die voor hen is vastgesteld. Het EU-Hof stelt dat dit niet het geval is. Wel moeten die werknemers in de publieke sector volgens het EU-Hof in ieder geval andere beschermingsmaatregelen genieten op het gebied van de arbeidsduur, het loon, de vergoedingen of soortgelijke voordelen, ter compensatie van de bijzondere belasting die hun nachtarbeid meebrengt.

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter volgens het EU-Hof in wezen te vernemen of richtlijn 2003/88, gelezen in het licht van de artikelen 20 en 31 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (en het daarin verankerde gelijkheidsbeginsel), zo moet worden uitgelegd dat zij vereist dat de normale duur van de nachtarbeid die in de wettelijke regeling van een lidstaat voor werknemers in de particuliere sector op zeven uur is vastgesteld, ook geldt voor werknemers in de publieke sector, zoals politieagenten en brandweerlieden. Het EU-Hof stelt dat dit niet het geval is,  mits dat verschil in behandeling is gebaseerd op een objectief en redelijk criterium, dat wil zeggen wanneer het verband houdt met een door de betrokken regeling nagestreefd wettelijk toelaatbaar doel, en dit verschil in verhouding staat tot dat doel.

Meer informatie:
ECER-dossier: Organisatie van arbeidstijden