Contentverzamelaar

EU-Hof: EP mocht EU-begroting 2018 in Brussel vaststellen
Het Europees Parlement mag een deel van zijn begrotingsbevoegdheden uitoefenen in Brussel in plaats van in Straatsburg als dat noodzakelijk is voor het goede verloop van de begrotingsprocedure. Dat is het oordeel van het EU-Hof in het beroep van Frankrijk tegen de vaststelling van de begroting van 2018 in Brussel.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 25 juni 2020 in zaak C-92/18 , Frankrijk tegen Parlement.

Aanleiding

In oktober 2015 heeft het Europees Parlement (hierna: EP) het rooster van plenaire zittingen voor 2017 opgesteld. In dit rooster was vastgelegd dat de gewone plenaire zittingen zouden worden gehouden in Straatsburg (Frankrijk) en dat er een extra plenaire zitting zou worden gehouden in Brussel (Belgiƫ).

Op 29 juni 2017 heeft de Commissie een ontwerp van de jaarlijkse begroting voor 2018 opgesteld. Op 31 oktober 2017 hebben het EP en de Raad de bemiddelingsprocedure voor de begroting gestart. Deze procedure heeft op 18 november 2017 geleid tot overeenstemming over een gemeenschappelijk ontwerp van de begroting van 2018.

Het EP heeft het debat en de stemming over het gemeenschappelijk ontwerp van de begroting van 2018 op de agenda geplaatst van de extra plenaire zitting op 29 en 30 november 2017 in Brussel. Het EP heeft het ontwerp op 30 november goedgekeurd. Op diezelfde datum is het ontwerp ook goedgekeurd door de Raad en heeft de voorzitter van het EP in plenaire vergadering geconstateerd dat de begroting van 2018 definitief was vastgesteld.

Frankrijk heeft bij het EU-Hof beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen het besluit van de voorzitter van het EP inhoudende de constatering van de vaststelling van de begroting.

Frankrijk, dat wordt gesteund door Luxemburg, vindt dat het EP heeft gehandeld in strijd met het protocol betreffende de plaats van de zetels van de instellingen , waarin volgens Frankrijk is bepaald dat het EP de bij het EU-Werkingsverdrag aan die instelling toegekende begrotingsbevoegdheden in beginsel dient uit te oefenen tijdens de gewone plenaire zittingen in Straatsburg.

Na het instellen van deze procedure heeft het EU-Hof in zijn arrest van 2 oktober 2018 het beroep verworpen dat eerder door Frankrijk was ingesteld tot nietigverklaring van handelingen van het EP in het kader van de procedure tot vaststelling van de begroting voor 2017. Het EU-Hof oordeelde in die zaak dat het rooster van 2015 voor de begrotingsbehandelingen in 2016 terecht een extra zitting in Brussel toeliet en dat de vaststelling in Brussel van de begroting voor 2017 rechtsgeldig was ( C-73/17 , lees ook het ECER bericht over dat arrest ). Nadat dat arrest was gewezen, heeft Frankrijk op verzoek van het EU-Hof bevestigd dat zij haar beroep met betrekking tot het rooster voor de behandeling van de begroting van de Unie voor het begrotingsjaar 2018 wenste te handhaven.

EU-Hof

Onder verwijzing naar het arrest in zaak C-73/17 herinnert het EU-Hof er in zijn uitspraak aan dat het protocol en de bepalingen van het EU-Werkingsverdrag waarin de begrotingsprocedure wordt geregeld, dezelfde juridische waarde hebben. De eisen van dat protocol kunnen dus geen voorrang hebben op de in het EU-Werkingsverdrag gestelde eisen, en omgekeerd. Die eisen moeten per geval worden toegepast en met elkaar worden verzoend, waarbij evenwicht tussen beide dient te worden gevonden. Het EP moet zijn begrotingsbevoegdheden dus uitoefenen tijdens een gewone plenaire zitting in Straatsburg, maar deze verplichting impliceert niet dat er niet over de jaarlijkse begroting mag worden gedebatteerd en gestemd tijdens een extra plenaire zitting in Brussel, indien dit noodzakelijk is voor de goede verloop van de begrotingsprocedure.

Het is de taak van het EP om de eisen die voortvloeien uit het protocol en die welke verband houden met het goede verloop van de begrotingsprocedure, met elkaar te verzoenen. Daarvoor beschikt het EP over een beoordelingsbevoegdheid. De toetsing door het EU-Hof heeft dus betrekking op de vraag of het EP beoordelingsfouten heeft gemaakt door een deel van zijn begrotingsbevoegdheden tijdens een extra plenaire zitting in Brussel uit te oefenen.

Het EU-Hof wijst erop dat het in zijn arrest van 2 oktober 2018 heeft geoordeeld dat op het tijdstip waarop het rooster van de gewone plenaire zittingen werd vastgesteld, zowel het gebruik van de bemiddelingsprocedure als het tijdstip waarop deze procedure zou beginnen en eindigen in principe onzeker was. Het EU-Hof is van oordeel dat geen van de in het huidige beroep aangevoerde argumenten een andere beoordeling kan rechtvaardigen en komt dan ook tot de slotsom dat het EP binnen de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid is gebleven toen het in oktober 2015 zijn rooster van gewone plenaire zittingen voor 2017 vaststelde en dit rooster handhaafde in 2017. De vaststelling van de begroting voor 2018 tijdens een extra plenaire zitting in november 2017 in Brussel was daarom rechtsgeldig.