Contentverzamelaar

EU-Hof erkent mogelijkheid van schadevergoeding voor motiveringsgebrek eerder arrest
Het EU-Hof heeft bepaald dat het EU-Hof geen fout heeft gemaakt en daarom geen schadevergoeding hoeft te betalen aan een Luxemburgse onderneming. Volgens de onderneming zou het EU-Hof in een eerdere procedure onvoldoende gemotiveerd hebben waarom de onderneming zou moeten opdraaien voor de fouten van een dochteronderneming. Opmerkelijk in deze uitspraak is dat de mogelijkheid van schadevergoeding niet principieel wordt afgewezen.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 7 juni 2018, in de zaak C-463/17P, Ori Martin SA tegen het Hof van Justitie van de Europese Unie

De Luxemburgse onderneming Ori Martin had in 2010 beroep ingesteld bij het EU-Gerecht tegen een besluit van de Europese Commissie, die een Italiaanse dochteronderneming van Ori Martin had beboet wegens mededingingsmisdragingen. Ori Martin werd als moederonderneming voor het betalen van een deel van de boete hoofdelijk aansprakelijk gesteld. In 2015 deed het Gerecht uitspraak, waarbij het besluit van de  Commissie gehandhaafd werd, maar de boete werd verlaagd. Ori Martin stelde hoger beroep tegen de uitspraak van het Gerecht (hierna: ‘eerste hoger beroep’). Het EU-Hof verwierp het eerste hoger beroep in 2016.

Naar aanleiding van deze einduitspraak van het EU-Hof diende Ori Martin bij het Gerecht een verzoek tot schadevergoeding in tegen het EU-Hof als EU-instelling. Ori Martin stelde dat het EU-Hof haar gestraft had zonder dat het in het eerste hoger beroep precies had uitgelegd wat deze onderneming fout had gedaan. Dat was volgens haar in strijd met het recht op een eerlijk proces (artikel 47 van het EU-Handvest van de Grondrechten). Dit verzoek werd door het Gerecht afgewezen  omdat schadevergoeding op die grond bij het Gerecht niet  mogelijk zou zijn.
Tegen deze afwijzing stelde Ori Martin onderhavig hoger beroep in bij het EU-Hof (hierna: ‘tweede hoger beroep’).

Het Hof wijst in dit arrest het tweede hoger beroep af.

Het EU-Hof stelt weliswaar vast dat de redenering van het Gerecht over het recht op schadevergoeding het Unierecht schendt omdat het Gerecht het argument van Ori Martin verkeerd had begrepen (punt 22-23). Het Gerecht meende dat Ori Martin de feitelijke beoordeling van de zeggenschapsverhoudingen in twijfel trok, terwijl volgens het EU-Hof het verwijt een motiveringsgebrek betrof. Maar het EU-Hof stelt dat er geen sprake is van onvoldoende motivering.Het EU-Hof heeft immers in het eerste hoger beroep overwogen dat Ori Martin als moedermaatschappij hoofdelijk aansprakelijk kon worden gesteld voor het handelen van haar dochter omdat ze als moeder een beslissende invloed kon uitoefenen op het gedrag van de dochter. Het EU-Hof had daarbij ook gewezen op een aantal omstandigheden. Dat was een voldoende motivering, aldus het EU-Hof (punt 28).

Het tweede argument van Ori Martin richtte zich tegen de overweging van het Gerecht dat schadevergoeding alleen kan worden toegekend wegens schending van de redelijke termijn waarbinnen uitspraak moet worden gedaan. Maar volgens het Hof is dit argument niet relevant want deze overweging vormt niet de noodzakelijke grondslag van het eindoordeel van het Gerecht. Het EU-Hof heeft immers vastgesteld dat de onregelmatigheid niet bestaat (“wel voldoende motivering”) en dat de overweging van het Gerecht de verwerping van het beroep dus niet kon dragen. Het was daarom niet noodzakelijk dat het Gerecht zich uitsprak over de eventuele consequenties van onregelmatigheden die een arrest van het Hof kunnen aantasten voor de aansprakelijkheid van de Unie. Het tweede argument is dus niet terzake dienend en moet worden afgewezen, aldus het EU-Hof. Omdat daardoor de verwerping van het beroep tot schadevergoeding overeind blijft, wijst het EU-Hof het hoger beroep af.