EU-Hof: EU-recht staat niet in de weg aan nationale strafbaarstelling illegaal verblijf

Contentverzamelaar

EU-Hof: EU-recht staat niet in de weg aan nationale strafbaarstelling illegaal verblijf
Een gevangenisstraf kan worden opgelegd als een inreisverbod niet is geschonden door een illegaal verblijvende vreemdeling. De nationale strafbaarstelling moet dan wel betrekking hebben op het oorspronkelijke illegale verblijf van de derdelander en niet op het inreisverbod. Voorwaarden zijn dat betrokkene kennis heeft van het inreisverbod en in het nationale strafrecht geen verwijzing staat naar de schending van het inreisverbod. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van de Hoge Raad der Nederlanden.

Het gaat om het arrest van 17 september 2020 van het EU-Hof in zaak C-806/18, JZ.

JZ heeft de Algerijnse nationaliteit en is in 2000 door de Nederlandse autoriteiten tot ongewenste vreemdeling verklaard. In 2013 is deze ongewenstverklaring opgeheven in verband met de inwerkingtreding van nieuwe nationale regelgeving ter omzetting van EU-richtlijn 2008/115 (hierna: Terugkeerrichtlijn). Deze EU-richtlijn stelt gemeenschappelijke normen en procedures vast voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op het grondgebied van EU-lidstaten verblijven.

Tegelijk met de opheffing van de ongewenstverklaring is vastgesteld dat JZ Nederland onmiddellijk moet verlaten. Hierbij is ook een inreisverbod tegen JZ uitgevaardigd. Dit inreisverbod is vijf jaar geldig. JZ is namelijk meerdere malen veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Omdat JZ Nederland niet heeft verlaten is hij in 2017 in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden op basis van het Nederlandse strafrecht. Tegen deze beslissing heeft JZ cassatie ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.

Het EU-Hof oordeelde eerder dat een inreisverbod pas rechtsgevolgen teweegbrengt nadat de vreemdeling is vertrokken uit de EU (zaak C-225/16 , Ouhrami). Uit nationale wetgeving, namelijk artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, blijkt niet expliciet dat het inreisverbod geschonden moet worden om rechtsgevolgen teweeg te brengen.

De Hoge Raad der Nederlanden vraagt aan het EU-Hof om uit te leggen of in het geval van JZ dezelfde lijn als in het arrest Ouhrami gevolgd moet worden. Het gaat hier om de vraag of het inreisverbod geschonden moet worden voordat een gevangenisstraf kan worden opgelegd. Het EU-Hof moet dus onder meer beoordelen of de Terugkeerrichtlijn zich verzet tegen nationale strafwetgeving die illegaal verblijf strafbaar stelt met een gevangenisstraf, in het licht van het arrest Ouhrami.

Het staat vast dat JZ geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland, dat de stappen van de terugkeerprocedure zijn doorlopen, maar daadwerkelijke terugkeer naar zijn land van herkomst (Algerije) of naar een ander derde land niet heeft plaatsgevonden. JZ bepleit dat, omdat hij Nederland nooit heeft verlaten hem ook geen gevangenisstraf opgelegd had mogen worden. Volgens JZ zou zijn verblijf slechts strafbaar zijn op het moment dat het inreisverbod is geschonden.

EU-Hof

Het EU-Hof oordeelt dat het doel van de Terugkeerrichtlijn is om een verwijderings- en terugkeerbeleid te ontwikkelen voor illegaal verblijvende onderdanen van derde landen, zodat mensen op een humane manier teruggestuurd kunnen worden. De Terugkeerrichtlijn is echter niet bedoeld om nationale voorschriften over het verblijf van vreemdelingen te harmoniseren. Het EU-recht staat in principe dus niet in de weg aan nationale strafbaarstelling van illegaal verblijf.

De Hoge Raad moet nagaan of het illegale verblijf van JZ beheerst wordt door het terugkeerbesluit of door het inreisverbod. Het kan zijn dat JZ zich in een illegale situatie bevindt die voortvloeit uit een oorspronkelijk illegaal verblijf, namelijk op basis van het terugkeerbesluit waar hij nooit gevolg aan heeft gegeven. Het illegaal verblijf is in dit geval geen gevolg van een overtreding van een inreisverbod. Een gevangenisstraf kan in die omstandigheden logischerwijs niet worden opgelegd op basis van een schending van een inreisverbod. Dit staat echter niet in de weg aan strafbaarstelling van illegaal verblijf, waarbij ook een inreisverbod is uitgevaardigd, zonder dat de persoon het grondgebied van de lidstaten daadwerkelijk heeft verlaten.

Het EU-Hof stelt als voorwaarden dat deze persoon kennis heeft van het inreisverbod en dat de gevangenisstraf niet wordt opgelegd door verwijzing naar de schending van dat inreisverbod. De nationale strafbaarstelling moet – naar vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens - voldoende toegankelijk en nauwkeurig zijn en de toepassing voldoende voorzienbaar, om willekeur te voorkomen. Op basis van deze argumenten is de bepaling uit het Nederlandse Wetboek van Strafrecht volgens het EU-Hof niet onverenigbaar met EU-richtlijn 2008/115.

Het is nu aan de Hoge Raad der Nederlanden om na te gaan of de toepassing van het Nederlands strafrecht op de situatie van JZ voldoet aan de eisen die het EU-Hof uit een heeft gezet in haar arrest.   

Meer informatie