EU-Hof: EU-recht verzet zich niet tegen verjaringstermijn van 5 jaar voor overtredingen van de minimumloonverplichting

Contentverzamelaar

EU-Hof: EU-recht verzet zich niet tegen verjaringstermijn van 5 jaar voor overtredingen van de minimumloonverplichting
Een verjaringstermijn van vijf jaar voor een overtreding van de minimumloonverplichting uit de EU-Detacheringsrichtlijn leidt er niet toe dat het voor een uitlenende onderneming onmogelijk is om zich te verdedigen tegen een vanwege die overtreding genomen sanctiebesluit. Van een dergelijke onderneming mag namelijk worden verwacht dat hij zijn bewijsmateriaal met betrekking tot de betaling van de lonen aan in andere EU-lidstaten gedetacheerde werknemers meerdere jaren bewaart. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van een Oostenrijkse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 10 februari 2022 in de zaak C-219/20, LM .

Achtergrond

Uit artikel 5 van richtlijn 96/71 (hierna: Detacheringsrichtlijn) volgt dat de EU-wetgever het aan de EU-lidstaten heeft overgelaten om passende sancties vast te stellen om ervoor te zorgen dat de verplichtingen uit de Detacheringsrichtlijn worden nageleefd. Eén van die verplichtingen is de minimumloonverplichting van artikel 3, lid 1, eerste alinea, onder c van de Detacheringsrichtlijn.

De Detacheringsrichtlijn bevat geen verjaringsregels voor de oplegging van sancties door de nationale autoriteiten wanneer de verplichtingen uit de Detacheringsrichtlijn niet worden nageleefd. Het Oostenrijkse recht voorziet echter in een verjaringstermijn van vijf jaar voor de overtreding van de minimumloonverplichting uit de Detacheringsrichtlijn.

GVAS is een in Slowakije gevestigde onderneming en heeft verschillende werknemers gedetacheerd in Oostenrijk. Een Oostenrijks districtsbestuur heeft in juni 2016 aan LM, in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van GVAS, een geldboete opgelegd wegens niet-nakoming van de minimumloonverplichting jegens vier gedetacheerde werknemers. Dit besluit is op 20 februari 2020 aan LM betekend.

LM heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij een Oostenrijkse rechter. Die rechter vraagt aan het EU-Hof of artikel 5 van de Detacheringsrichtlijn , gelezen in samenhang met het grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte ( artikel 47 EU-Handvest ) en tegen de achtergrond van het EU-rechtelijke beginsel van behoorlijk bestuur, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de Oostenrijkse verjaringstermijn van vijf jaar in het geval van niet-nakoming van de minimumloonverplichting.

EU-Hof

Het EU-Hof oordeelt dat de grensoverschrijdende detachering van werknemers en de vervolging van een overtreding van de minimumloonverplichting het werk van de bevoegde nationale autoriteiten relatief ingewikkeld kunnen maken. Die omstandigheden rechtvaardigen volgens het EU-Hof dat een voldoende lange verjaringstermijn wordt vastgesteld om de bevoegde nationale autoriteiten in staat te stellen die overtreding te vervolgen en te bestraffen.

Verder oordeelt het EU-Hof dat de Detacheringsrichtlijn een bijzonder belang toekent aan de minimumloonverplichting. Gelet op dat belang kan van uitlenende ondernemingen, die werknemers detacheren in andere EU-lidstaten, redelijkerwijze worden verwacht dat zij de bewijzen betreffende de betaling van de lonen aan deze medewerkers meerdere jaren bewaren. Volgens het EU-Hof is het niet onredelijk dat die ondernemingen gedurende een periode van vijf jaar de betalingsbewijzen van lonen moeten bewaren en kunnen overleggen.

Tenslotte oordeelt het EU-Hof dat een verjaringstermijn van vijf jaar er niet voor zorgt dat de uitlenende onderneming niet naar behoren zijn standpunt kenbaar kan maken over de elementen waarop het bestuursorgaan het sanctiebesluit wil baseren. Een dergelijke verjaringstermijn leidt er ook niet toe dat die onderneming zijn zaak, met inbegrip van zijn bewijsmateriaal, niet voor de rechter kan brengen.

Meer informatie: