EU-Hof: exclusieve bevoegdheid voor nationale accreditatie-instanties is niet in strijd met het EU-recht

Contentverzamelaar

EU-Hof: exclusieve bevoegdheid voor nationale accreditatie-instanties is niet in strijd met het EU-recht
Het EU-recht vereist dat in elke EU-lidstaat in beginsel slechts één instantie exclusief bevoegd is om instanties te erkennen die conformiteitsbeoordelingen van producten mogen verrichten. Een dergelijke exclusieve bevoegdheid is niet in strijd met het vrij verkeer van diensten en het EU-verbod op misbruik van een machtspositie. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van een Italiaanse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 6 mei 2021 in de zaak C-142/20, Caracciolo .

Achtergrond:

In verordening 765/2008 (hierna: EU-accreditatieverordening) zijn algemene regels neergelegd voor accreditatie-instanties die ervoor moeten zorgen dat producten in de EU aan bepaalde eisen voldoen (conformiteit). In dit kader kunnen de nationale accreditatie-instanties andere instanties – zogenoemde conformiteitsbeoordelingsinstanties - erkennen (‘accrediteren’), waardoor deze instanties conformiteitsbeoordelingen van producten mogen verrichten ( artikel 5, lid 1, EU-accreditatieverordening ). De nationale accreditatie-instanties houden vervolgens toezicht op de werkzaamheden van de conformiteitsbeoordelingsinstanties.

In deze zaak gaat het om het Italiaanse laboratorium Caracciolo. Caracciolo had bij twee instanties een verzoek ingediend voor een accreditatie om conformiteitsbeoordelingen te mogen verrichten van producten. Ten eerste heeft Caracciolo in 2012 een verzoek om accreditatie (erkenning) ingediend bij Accredia, de enige nationale accreditatie-instantie in Italië. Accredia heeft Caracciolo vervolgens voorlopig opgenomen op de regionale lijst van geaccrediteerde laboratoria van Sicilië. Ten tweede heeft PLJA – een in de Verenigde Staten gevestigde accreditatie-instantie – in 2014 een accreditatie aan Caracciolo verleend om conformiteitsbeoordelingen te verrichten.

In 2017 heeft de regio Sicilië Caracciolo echter geschrapt van de regionale lijst van geaccrediteerde laboratoria. Daarmee werd de voorlopige opname van Caracciolo op die lijst beëindigd. Caracciolo heeft zich verzet tegen het besluit van de regio Sicilië. De zaak kwam uiteindelijk bij een Italiaanse rechter in tweede aanleg terecht. Deze rechter stelt vast dat Caracciolo eerder heeft aangevoerd dat hij een accreditatie van PLJA heeft en dat deze accreditatie gelijkwaardig moet worden gedacht met de accreditatie van Accredia. De rechter in eerste aanleg heeft echter geoordeeld dat op grond van de EU-accreditatieverordening slechts één instantie in een EU-lidstaat de exclusieve bevoegdheid dient te hebben om als accreditatie-instantie te fungeren. Deze exclusieve bevoegdheid komt toe aan Accredia. Daardoor kan de accreditatie-activiteit niet worden verricht door een andere instantie (zoals PLJA)

De Italiaanse rechter in tweede aanleg stelde het EU-Hof twee vragen.

EU-Hof:

De accreditatie-instantie

Op grond van een bijzondere Italiaanse wettelijke regeling kunnen laboratoria zich voor hun accreditatie wenden tot een andere accreditatie-instantie dan Accredia, de enige accreditatie-instantie van Italië. De andere accreditatie-instantie – zoals bijvoorbeeld in dit geval de Amerikaanse PLJA - moet wel voldoen aan bepaalde technische voorschriften en die instantie moet zijn erkend. In dit kader stelt Caracciolo dat Accredia en PLJA een overeenkomst tot wederzijdse erkenning in het kader van de International Laboratory Accreditation Cooperation (ILAC) hebben gesloten en dat zij aan dezelfde technische voorschriften zijn onderworpen. De rechter wil van het EU-Hof weten of in bovengenoemde omstandigheden de accreditatieactiviteit mag worden verricht door een instantie die niet in een EU-lidstaat gevestigd is, die voldoet aan de technische voorschriften en die is erkend (zoals PLJA).

Het EU-Hof oordeelt dat elke lidstaat op grond van de EU-accreditatieverordening één nationale accreditatie-instantie moet aanwijzen en dat de conformiteitsbeoordelingsinstanties in beginsel verplicht zijn om hun accreditatie bij deze instantie aan te vragen. Buiten de uitzonderingen die genoemd worden in artikel 7, lid 1, tweede alinea, EU-accreditatieverordening, mag een conformiteitsbeoordelingsinstantie dus niet een accreditatie-aanvraag indienen bij een andere nationale accreditatie-instantie dan die van de EU-lidstaat waar zij is gevestigd. Conformiteitsbeoordelingsinstanties dienen volgens het EU-Hof evenmin over de mogelijkheid te beschikken om van een in een derde land gevestigde instantie een accreditatie te verkrijgen om haar activiteiten op het grondgebied van de EU te kunnen uitoefenen.

Het EU-Hof oordeelt vervolgens dat elke EU-lidstaat slechts één accreditatie-instantie mag hebben, omdat op die manier het beste toezicht kan worden gehouden op de conformiteitsbeoordelingsinstanties. Als meerdere instanties bevoegd zouden zijn om accreditaties te verlenen in een EU-lidstaat zou dit volgens het EU-Hof eveneens tot gevolg kunnen hebben dat meerdere accrediteringen worden verleend.

Geldigheid van de EU-accreditatieverordening

Elke EU-lidstaat kan dus op grond van de EU-accreditatieverordening in beginsel slechts één accreditatie-instantie aanwijzen. De rechter wil in dit verband van het EU-Hof weten of de EU-accreditatieverordening – in het bijzonder de bepalingen die een exclusieve bevoegdheid verlenen aan één accreditatie-instantie – onder andere geldig is het licht van het vrij verkeer van diensten ( artikel 56 EU-Werkingsverdrag ) en het verbod op misbruik van een machtspositie ( artikel 102 EU-Werkingsverdrag ).

Het EU-Hof oordeelt ten eerste dat het verlenen van accreditaties een rechtstreekse en specifieke deelneming aan de uitoefening van het openbaar gezag van een EU-lidstaat vormt. Activiteiten die verband houden met de uitoefening van openbaar gezag vallen niet onder de werkingssfeer van het vrij verkeer van diensten ( artikel 51 en 62 EU-Werkingsverdrag ).

Het EU-Hof oordeelt vervolgens dat het verbod op misbruik van een machtpositie alleen van toepassing is op ondernemingen die economische activiteiten verrichten. De uitoefening van openbaar gezag vormt echter geen economische activiteit ( C-49/07 ). Vanuit die omstandigheden kan volgens het EU-Hof een accreditatie-instantie niet worden aangemerkt als een ‘onderneming’ in de zin van het EU-recht en valt zij niet onder het verbod op misbruik van een machtspositie.

Meer informatie: