Contentverzamelaar

EU-Hof: Frans, Zweeds en Belgisch openbaar ministerie voldoen aan de vereisten om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen
Het EU-Hof heeft in een spoedprocedure geoordeeld dat het Franse, Zweedse en Belgische openbaar ministerie voldoen aan de hoedanigheid “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” die nodig is voor de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Met deze uitspraak verduidelijkt het EU-Hof de eisen die gelden bij de uitvaardiging van een EAB door het openbaar ministerie.

Het gaat om de uitspraken van het EU-Hof van 12 december 2019 in de zaken C-566/19 PPU en C-626/19 PPU, C-625/19 PPU en C-627/19 PPU.

In deze zaken gaat het om vier personen ten aanzien van wie EAB’s waren uitgevaardigd door het openbaar ministerie van respectievelijk Frankrijk, Zweden en België. In de Franse en Zweedse zaken waren de EAB’s uitgevaardigd met het oog op strafvervolging en in de Belgische zaak betrof het de tenuitvoerlegging van een straf. In deze zaken stond de vraag centraal of de openbare ministeries van Frankrijk, Zweden en België kunnen worden gekwalificeerd als “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” en daarmee voldoen aan de vereisten om een EAB uit te vaardigen. Hiermee bouwen deze zaken voort op een uitspraak die het EU-Hof eerder dit jaar deed in de zaken C-82/19 PPU, C-508/19 PPU en C-509/18 PPU. Hier besloot het EU-Hof dat het Duitse openbaar ministerie onvoldoende onafhankelijk was om een EAB uit te vaardigen, omdat het direct of indirect kon worden onderworpen aan aanwijzingen of instructies van de uitvoerende macht, zoals een minister van Justitie. Ten aanzien van de Litouwse procureur-generaal oordeelde het EU-Hof dat deze aan het onafhankelijkheidsvereiste voldeed. Wel gaf het EU-Hof de verwijzende rechter de opdracht te onderzoeken of diens beslissing een EAB uit te vaardigen het voorwerp kan zijn van een gerechtelijke procedure die volledig voldoet aan de vereisten van een doeltreffende rechterlijke bescherming.

In zijn arresten van 12 december 2019 bevestigt het EU-Hof het belang van onafhankelijkheid om als “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” te kwalificeren. Aan dit vereiste voldoen volgens het EU-Hof de openbare ministeries van Frankrijk, Zweden en België. Verder verduidelijkt het EU-Hof dat het openstaan van een beroep in rechte geen voorwaarde vormt om een autoriteit als uitvaardigende rechterlijke autoriteit te kunnen aanmerken. De lidstaten dienen er wel voor te zorgen dat de uitvaardiging van een EAB voldoet aan het vereiste niveau van rechterlijke bescherming.

In casu voldoen het Franse en Zweedse stelsel aan dit vereiste, omdat de evenredigheid van de beslissing van het openbaar ministerie om een EAB uit te vaardigen kan worden getoetst door de rechter. Deze toetsing kan vooraf plaatsvinden, vrijwel gelijktijdig met het nemen van de beslissing, en ook naderhand. Een dergelijke toetsing wordt bij voorbaat verricht door de rechter die de nationale beslissing neemt waarop nadien het EAB kan worden gebaseerd.

Het Belgische stelsel voorziet niet in een dergelijk beroep. Echter, in de Belgische zaak ging het niet op een EAB met het oog op strafvervolging, maar met het oog op de tenuitvoerlegging van een opgelegde gevangenisstraf. Bij een dergelijke tenuitvoerlegging van een straf vloeit de effectieve rechterlijke bescherming voort uit de rechterlijke toetsing die wordt verricht in het voor tenuitvoerlegging vatbare vonnis waarop het EAB is gebaseerd. De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan er van uitgaan dat de beslissing om een EAB uit te vaardigen voortvloeit uit een gerechtelijk procedure waarin de gezochte persoon waarborgen met betrekking tot de bescherming van zijn grondrechten heeft genoten. De evenredigheid van dat EAB komt tevens voort uit de uitgesproken veroordeling, omdat het bij een EAB moet gaan om een straf of maatregel van ten minste vier maanden.

Met zijn uitspraak in deze zaken heeft het EU-Hof een nieuwe stap gezet in het verduidelijken van de vereisten om een EAB te kunnen uitvaardigen en de rechterlijke bescherming die toekomt aan degenen op wie een dergelijk aanhoudingsbevel betrekking heeft.