EU-Hof gaat niet over illegale bouwsels

Contentverzamelaar

EU-Hof gaat niet over illegale bouwsels
Illegale bouwsels in een beschermd landschapsgebied vallen niet onder de bescherming van het eigendomsrecht in het EU-Handvest van de Grondrechten. Dat is een zaak van de lidstaten. De bescherming van landschappen heeft een onvoldoende nauwe band met het EU-recht. Dat heeft het EU-Hof geantwoord op vragen van een Siciliaanse rechtbank.

Het gaat om het arrest van 6 maart 2014 in de zaak C-206/13, C. Siragusa tegen Regione Sicilia – Soprintendenza Beni Culturali e Ambientali di Palermo.

Siragusa had als eigenaar van een terrein in een beschermd landschapsgebied zonder vergunning gebouwd. Tegen het bevel om het terrein in de oorspronkelijke toestand te herstellen stelde hij beroep in. Hij stelde dat hij in zijn eigendomsrecht werd aangetast omdat hem niet alsnog een vergunning kon worden gegeven. Een vergunning achteraf kon namelijk alleen worden verleend wanneer het bouwsel in overeenstemming was met de beschermde landschappelijke waarden. En dat was hier niet het geval.

Het EU-Hof wijst erop dat het een nationale regeling die niet binnen het kader van het Unierecht valt, niet aan het Handvest kan toetsen. Volgens de toelichting bij artikel 51 Handvest geldt de verplichting tot eerbiediging van de in het kader van de Unie vastgestelde grondrechten voor de lidstaten alleen wanneer zij optreden binnen het toepassingsgebied van het recht van de Unie.

De Siciliaanse rechter had een aantal EU-maatregelen op milieugebied genoemd als aanknopingspunt voor de toepassing van het Handvest.

Het EU-Hof wijst er echter op dat het begrip „ten uitvoer brengen van het Unierecht” in de zin van artikel 51 van het Handvest vereist dat er een zekere mate van een verband bestaat dat verder gaat dan het dicht bij elkaar liggen van de betrokken materies of de indirecte invloed van de ene materie op de andere.

Om te bepalen of een nationale regeling het Unierecht ten uitvoer brengt in de zin van artikel 51 van het Handvest, moet onder meer worden nagegaan of zij de uitvoering van een Unierechtelijke bepaling beoogt, wat de aard van deze regeling is en of zij niet andere doelstellingen nastreeft dan die waarop het Unierecht ziet, ook wanneer die regeling dit recht indirect kan beïnvloeden, en of er een Unierechtelijke regeling bestaat die specifiek is voor deze materie of deze kan beïnvloeden.

De grondrechten van de Unie kunnen niet worden toegepast in verband met een nationale regeling wanneer de Unievoorschriften op het betrokken gebied de lidstaten geen verplichting oplegden voor de concrete situatie.

De door de Siciliaanse rechter genoemde EU-maatregelen op milieugebied leggen de lidstaten geen specifieke verplichtingen op om het landschap te beschermen.

In dit verband wijst het EU-Hof op de doelstelling van de bescherming van de grondrechten in het Unierecht, te weten ervoor te zorgen dat deze rechten niet worden geschonden op de gebieden waarop de Unie optreedt, ongeacht of dit gebeurt vanwege het optreden van de Unie of vanwege het ten uitvoer brengen van het Unierecht door de lidstaten.

Het nastreven van dit doel is volgens het EU-Hof ingegeven door de noodzaak te vermijden dat een bescherming van de grondrechten die zou kunnen variëren naar gelang het betrokken nationale recht, afbreuk doet aan de eenheid, de voorrang, en de werking van het Unierecht. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt niet dat zich in het hoofdgeding een dergelijk risico voordoet.

 

Het EU-Hof verklaart zich om deze redenen niet bevoegd om artikel 17 van het Handvest uit te leggen en wijst eveneens de toepassing van het EU-evenredigheidsbeginsel op de nationale situatie af.