Contentverzamelaar

EU-Hof: geen EU-verplichting voor lidstaten om verbod op uitlevering van eigen onderdanen aan derde land op alle EU-onderdanen toe te passen
Het Unierecht staat er niet aan in de weg dat een lidstaat het verbod op uitlevering aan derde landen beperkt tot zijn eigen onderdanen en niet uitbreidt tot elke EU-burger die op zijn grondgebied reist of verblijft. Alvorens een EU-burger uit te leveren, moet de aangezochte lidstaat, de lidstaat van die burger echter in de glegenheid stellen op grond van een Europees aanhoudingsbevel om overlevering van die burger te verzoeken.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 10 april 2018 in de zaak C-191/16 .

Aanleiding van deze zaak was de vervolging in de VS van een Italiaanse staatsburger waar hij wordt verdacht van concurrentiebeperkende overeenkomsten en praktijken. Tijdens een tussenlanding In Frankfurt terwijl hij van Nigeria naar Italië reisde, werd hij gearresteerd. Op grond van de uitleveringsovereenkomst tussen de EU en de VS werd hij vervolgens uitgeleverd aan de Verenigde Staten, waar hij een boete kreeg opgelegd en twee jaar gevangen werd gezet. Hij heeft vervolgens bij het Landgericht Berlin een schadevergoedingsactie tegen Duitsland ingesteld. De Italiaan betoogde dat Duitsland het EU-recht, en in het bijzonder het algemene beginsel van non-discriminatie, had geschonden door te weigeren hem het voordeel toe te kennen van het verbod van de Duitse grondwet om Duitse onderdanen uit te leveren. Het Landgericht Berlin heeft hierover vragen gesteld aan het EU-Hof.

In zijn arrest stelt het Hof eerst vast dat de situatie van de Italiaan binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt omdat hij als burger van de Unie met de tussenstop in Duitsland tijdens zijn reis vanuit Nigeria naar Italië, gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer binnen de EU. Bovendien is het verzoek om uitlevering op grond van de overeenkomst tussen de EU en de VS ingediend. Het feit dat hij op het moment van zijn arrestatie alleen op doorreis in Duitsland was, is in dit verband niet van belang.

Het Hof oordeelt ook dat het EU-recht in een dergelijk geval niet eraan in de weg staat dat Duitsland onderscheid maakt tussen zijn eigen onderdanen en die van andere lidstaten, en dat Duitsland de burger van de Unie uitlevert terwijl het de uitlevering van zijn eigen onderdanen verbiedt. Het EU-Hof stelt wel als voorwaarde dat Duitsland de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarvan de burger onderdaan is (Italië), reeds in de gelegenheid heeft gesteld om zelf de overlevering van de eigen onderdaan te verzoeken.

Het Hof merkt op dat de overeenkomst tussen de EU en de VS een lidstaat toestaat, op basis van een van de bepalingen van een bilateraal verdrag (zoals het Duits-VS-Verdrag uitleveringsverdrag) of grondwettelijke bepalingen (zoals de Duitse grondwet) die voorzien in een bijzondere regeling voor de eigen onderdanen door hun uitlevering uit te sluiten. In een situatie als hier voorligt, leidt een ongelijke behandeling die de uitlevering van een burger van de Unie die onderdaan is van een andere lidstaat  mogelijk maakt, inderdaad tot een beperking van het vrije verkeer. Zoals het Hof echter reeds heeft geoordeeld in het arrest Petruhinn (zaak C‑182/15, EU:C:2016:630) is de doelstelling om straffeloosheid te voorkomen, een legitiem doel dat in beginsel een dergelijke beperking kan rechtvaardigen. De betrokken maatregel moet echter ook noodzakelijk zijn om dit doel te bereiken en het doel kan niet kunnen worden bereikt met een minder beperkende maatregel, zoals de overlevering van de burger van de Unie aan zijn lidstaat van herkomst, mits deze lidstaat bevoegd is om hem in het kader van een Europees aanhoudingsbevel te vervolgen voor dezelfde feiten als die welke hem in het verzoek om uitlevering worden verweten. In het onderhavige geval zijn de Italiaanse consulaire autoriteiten op de hoogte gehouden van de situatie van hun burger en hebben de Italiaanse gerechtelijke autoriteiten geen Europees arrestatiebevel tegen hem uitgevaardigd voordat het verzoek om uitlevering in kwestie was ingewilligd. Het recht van de Unie heeft zich dus niet verzet tegen de uitlevering van de Italiaan aan de Verenigde Staten.