EU-Hof: geen toetsing van de juridische kwalificatie die een autoriteit van een andere lidstaat aan een strafbaar feit heeft gegeven

Contentverzamelaar

EU-Hof: geen toetsing van de juridische kwalificatie die een autoriteit van een andere lidstaat aan een strafbaar feit heeft gegeven
Een autoriteit van een EU-lidstaat mag de tenuitvoerlegging van een in een andere EU-lidstaat opgelegde geldboete niet weigeren wanneer die autoriteit van mening is dat het strafbare feit onjuist is gekwalificeerd door de autoriteiten van die andere lidstaat. De tenuitvoerleggingsautoriteit is namelijk in beginsel gebonden aan de juridische kwalificatie die de autoriteit van een andere lidstaat aan het strafbare feit heeft gegeven. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van een Hongaarse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 6 oktober 2021 in de zaak C-136/20, LU .

Achtergrond

In juni 2018 hebben de Oostenrijkse autoriteiten een geldboete opgelegd aan LU. LU was namelijk de houder van het kentekenbewijs van een voertuig dat betrokken was geweest bij een verkeersovertreding. Volgens de Oostenrijkse autoriteiten had hij een administratieve inbreuk begaan, omdat hij had geweigerd om de naam door te geven van de persoon die het voertuig tijdens de overtreding bestuurde.

De Oostenrijkse autoriteiten hebben de beslissing, waarbij de geldboete aan LU is opgelegd, toegezonden aan een rechter in Hongarije met het oog op de tenuitvoerlegging van die beslissing overeenkomstig Kaderbesluit 2005/214 (hierna: Kaderbesluit). In het certificaat dat bij de beslissing was gevoegd hadden de Oostenrijkse autoriteiten aangegeven dat de administratieve inbreuk behoorde tot de strafbare feiten die in   artikel 5, lid 1, eenendertigste streepje van het Kaderbesluit worden genoemd. Het gaat dan om strafbare feiten bestaande in “gedragingen in strijd met de verkeersregels”.

De Hongaarse rechter – die wordt verzocht om de beslissing van de Oostenrijkse autoriteiten op grond van het Kaderbesluit ten uitvoer te leggen – twijfelt echter of de geldboete aan LU wel is opgelegd vanwege “gedragingen in strijd met de verkeersregels”. Volgens die rechter gaat het enkel om een weigering van LU om een bevel van de bevoegde Oostenrijkse autoriteiten na te leven. In het bevel werd LU verzocht om de identiteit van de persoon door te geven die het voertuig bestuurde op het ogenblik dat de verkeersovertreding werd gepleegd.

In die omstandigheden is het volgens de Hongaarse rechter mogelijk dat het strafbare feit in deze zaak niet valt onder de strafbare feiten die leiden tot de erkenning en tenuitvoerlegging van sanctiebeslissingen zonder toetsing van de dubbele strafbaarheid ( artikel 5, lid 1, Kaderbesluit ). Dubbele strafbaarheid houdt in dat een feit zowel naar het recht van de beslissingsstaat (in deze zaak Oostenrijk) als de tenuitvoerleggingstaat (in deze zaak Hongarije) strafbaar is.

De rechter vraagt aan het EU-Hof in hoeverre een autoriteit van een lidstaat kan weigeren om in een andere lidstaat gegeven beslissing tot oplegging van een geldboete te erkennen en ten uitvoer te leggen, wanneer deze autoriteit zich op het standpunt stelt dat het strafbare feit niet onder de lijst van strafbare feiten valt waarbij door de EU-wetgever in artikel 5, lid 1 van het Kaderbesluit toetsing van dubbele strafbaarheid is uitgesloten.

EU-Hof

Het EU-Hof oordeelt dat de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat (in deze zaak de Hongaarse rechter) in beginsel verplicht is om de toegezonden sanctiebeslissing te erkennen en ten uitvoer te leggen. In afwijking van die algemene regel kan de erkenning en de tenuitvoerlegging slechts worden geweigerd wanneer sprake is van één van de uitdrukkelijk in artikel 7, lid 1 van het Kaderbesluit vastgestelde gronden tot weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging. Het EU-Hof oordeelt dat in deze zaak geen van de weigeringsgronden van toepassing kan zijn. 

Het EU-Hof oordeelt eveneens dat de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat in beginsel gebonden is aan de beoordeling die de autoriteit van de beslissingsstaat (in deze zaak de Oostenrijkse autoriteiten) heeft verricht met betrekking tot de kwalificatie van het betrokken strafbare feit waarvoor de geldboete is opgelegd. Met name wat betreft de vraag of dat strafbare feit onder één van de categorieën van strafbare feiten valt die zijn opgenomen op de lijst van artikel 5, lid 1 van het Kaderbesluit en ten aanzien waarvan toetsing van de dubbele strafbaarheid is uitgesloten.

Tenslotte brengt het EU-Hof in herinnering dat de autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing wel kan weigeren wanneer het door de beslissingsstaat overhandigde certificaat doet vermoeden dat de grondrechten of de fundamentele rechtsbeginselen ( artikel 6 EU-Verdrag ) niet worden geëerbiedigd. In een dergelijke geval moet de autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat wel eerst de autoriteit van de beslissingsstaat verzoeken om alle noodzakelijke gegevens te verstrekken.

Meer informatie:

  • ECER-dossier – Wederzijdse erkenning vonnissen en rechterlijke beslissingen – Geldelijke sancties