Contentverzamelaar

EU-Hof: geen visum nodig voor familieleden van EU-burger met permanente verblijfsvergunning
Familieleden van een EU burger die een permanente verblijfsvergunning bezitten hoeven geen visum aan te vragen om te verblijven in een andere EU-lidstaat. Een verblijfsvergunning wordt tevens gezien als bewijs van de status van familielid van een EU-burger. Dat antwoordt het EU-Hof op vragen van een Hongaarse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 18 juni 2020 in de zaak C-754/18,Ryanair Designated Activity Company v. Országos Rendőr-főkapitányság.

De zaak betreft een Oekraïense passagier van de luchtvaartmaatschappij Ryanair die vanuit het Verenigd Koninkrijk naar Hongarije wilde reizen zonder visum. De passagier was wel in bezit van een paspoort en een permanente verblijfsvergunning, verstrekt door het Verenigd Koninkrijk. De Hongaarse politie zette de passagier op een vlucht terug naar Londen en gaf Ryanair een boete. Ryanair is vervolgens in Hongarije een procedure gestart tegen de boete.

De verwijzende rechter vraagt het EU-Hof of de richtlijn bepaalt dat bezitters van een permanente verblijfsvergunning geen visum meer hoeven aan te vragen. Tevens vraagt de rechter of dit ook geldt voor burgers van derde landen die in het bezit zijn van een permanente verblijfsvergunning van een EU-lidstaat. Ten slotte vraagt de rechter of een dergelijke verblijfsvergunning volstaat om de status van familielid van een EU-burger te kunnen vaststellen.

Antwoord van het EU-Hof

Het EU-Hof bevestigt dat de richtlijn in principe alleen familieleden van EU-burgers met een verblijfsvergunning vrijstelling geeft van het vereiste om een visum aan te vragen. Echter, het is volgens het EU-Hof duidelijk, dat na een algemene lezing van de richtlijn geconcludeerd moet worden dat de wetgever de intentie had om deze vrijstelling van een visumvereiste ook te laten gelden voor familieleden van EU-burgers met een permanente verblijfsvergunning.

Volgens het Hof is het doel van de richtlijn het bevorderen van de integratie van EU-burgers en hun familieleden. Dit doel zou tegengewerkt worden door te vereisen dat familieleden van EU-burgers weer een visum moeten aanvragen, nadat ze een permanente verblijfsvergunning hebben verkregen.

Het EU-Hof wijst er wel op dat een permanente verblijfsvergunning alleen verkregen kan worden als een persoon al een verblijfsvergunning had en meer dan vijf jaar in een EU-lidstaat woonde.

Omdat de richtlijn van toepassing is op alle lidstaten, is de vrijstelling van toepassing op alle familieleden met een verblijfsvergunning. Het maakt hierbij niet uit of de verblijfsvergunning is verstrekt door een lidstaat binnen of buiten het Schengengebied.

Een dergelijke permanente verblijfsvergunning mag alleen verstrekt worden aan familieleden van EU-burgers. Daarom is een verblijfsvergunning ook voldoende om de status van familielid van een EU-burger vast te stellen.