Contentverzamelaar

EU-Hof: Gepensioneerden kunnen worden uitgesloten van het gunnen van overheidsopdrachten
Een aanbestedingsregeling waarin is bepaald dat overheidsdiensten geen opdrachten mogen gunnen aan gepensioneerden is niet in strijd met het verbod van leeftijdsdiscriminatie in de EU-richtlijn inzake gelijke behandeling in arbeid en beroep. De nationale rechter moet wel een belangenafweging maken tussen het recht van ouderen om te werken en de maatregelen om de toegang van jongeren tot het arbeidsproces te bevorderen. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van een Italiaanse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 2 april 2020 in de zaak C-670/18, Comune di Gesturi .

In december 2017 heeft de Comune di Gesturi (gemeente Gesturi) een aanbesteding uitgeschreven voor een onderzoeks- en adviesopdracht voor het gemeentelijke recyclingcentrum. In de oproep stond nadrukkelijk dat gepensioneerden die voorheen werkzaam zijn geweest in de particuliere of overheidssector niet konden deelnemen.

In deze zaak staat EU-richtlijn 2000/78 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (hierna: richtlijn) centraal. Artikel 2, lid 1 in samenhang met artikel 1 van de richtlijn bepaalt onder meer dat directe of indirecte discriminatie op grond van leeftijd verboden is. Indirecte discriminatie houdt in dat een ogenschijnlijk neutrale bepaling personen met een bepaalde leeftijd, in vergelijking met andere personen, bijzonder benadeelt. Artikel 3, lid 1, van de richtlijn bepaalt dat de richtlijn van toepassing is op de voorwaarden voor toegang tot arbeid, met inbegrip van selectie- en aanstellingscriteria. Artikel 6, lid 1, van de richtlijn geeft rechtvaardigingsgronden voor ongelijke behandeling van personen. Onder meer de bevordering van jongeren tot het arbeidsproces vormt een legitieme rechtvaardigingsgrond.

CO, een gepensioneerde die voorheen werkzaam is geweest in de overheidssector, stelt dat de regeling van de gemeente Gesturi in strijd is met de richtlijn. De rechter wil weten of een regeling die overheidsdiensten verbiedt om opdrachten voor onderzoek en advies te gunnen aan gepensioneerden, in strijd is met de richtlijn.

EU-Hof

Het EU-Hof oordeelt ten eerste dat de onderhavige zaak onder de werkingssfeer van de richtlijn valt. Het gaat in deze zaak om een voorwaarde voor toegang tot arbeid in loondienst en dan met name de selectie- en aanstellingscriteria (artikel 3, lid 1, sub a van de richtlijn). De regeling leidt tot de uitsluiting van gepensioneerden van elke aanwervingsprocedure of aanstelling en heeft daarmee een rechtstreekse invloed op de uitoefening van bepaalde beroepsactiviteiten.

Vervolgens oordeelt het EU-Hof dat er sprake is van een verschil in behandeling op grond van leeftijd. Het EU-Hof overweegt dat de regeling niet rechtstreeks verwijst naar een specifieke leeftijd. Het tijdstip waarop iemand ouderdomspensioen kan krijgen, verschilt namelijk per persoon. Het EU-Hof oordeelt dat de regeling niettemin indirect gebaseerd is op een leeftijdscriterium, aangezien het recht op een ouderdomspensioen afhankelijk is van het vervullen van een aantal arbeidsjaren en de voorwaarde dat de begunstigde een bepaalde leeftijd heeft bereikt. Er is daarom sprake van indirecte discriminatie in de zin van artikel 2, lid 2, van de richtlijn.

Verder overweegt het EU-Hof dat een dergelijk verschil in behandeling op grond van leeftijd kan worden gerechtvaardigd indien de regeling tot doel heeft de toegang van jongeren tot het arbeidsproces te vergemakkelijken (artikel 6, lid 1, van de richtlijn). Van belang hierbij is dat er een evenwichtige leeftijdsstructuur tussen jonge en oude ambtenaren blijft bestaan. Ondanks dat de regeling een legitiem doel nastreeft, moet zij ook passend en noodzakelijk zijn. In dit kader overweegt het EU-Hof dat artikel 15, lid 1, van het EU-Handvest van de Grondrechten  bepaalt dat een ieder het recht heeft om te werken. Er dient aandacht te worden besteed aan het economische, culturele en sociale leven van ouderen en de bevordering van de diversiteit bij het arbeidsproces.

Het EU-Hof overweegt dat de rechter een juist evenwicht dient te vinden tussen enerzijds de wens om de toegang van jongeren tot het arbeidsproces te vereenvoudigen en anderzijds het recht van ouderen om te werken. Het EU-Hof schetst een aantal factoren die een rol kunnen spelen bij het vinden van dit evenwicht. De hoogte van het ouderdomspensioen van de betrokken gepensioneerden is van belang. Tevens moet worden onderzocht of het verbod daadwerkelijk de kansen van jongeren verbetert of dat het om delicate en complexe arbeid gaat. In geval van delicate en complexe arbeid bevinden ouderen zich vanwege hun ervaring in een betere positie om dit werk uit te voeren.

Tenslotte oordeelt het EU-Hof dat de overheidsopdracht niet mag bestaan in eenmalige taken van bepaalde duur. Voor een succesvolle rechtvaardiging van de ongelijke behandeling moet de  opdracht jongeren daadwerkelijk de mogelijkheid bieden om zich beroepsmatig te kunnen ontwikkelen.