EU-Hof: gezinsbijslagen mogen niet worden aangepast aan het prijspeil in de woonstaat van de kinderen van de begunstigde

Contentverzamelaar

EU-Hof: gezinsbijslagen mogen niet worden aangepast aan het prijspeil in de woonstaat van de kinderen van de begunstigde
EU-lidstaten mogen het bedrag van de door hen uitgekeerde gezinsbijslagen niet aanpassen aan het prijspeil in de woonstaat van het betrokken kind. Een dergelijke aanpassing vormt een ongerechtvaardigde indirecte discriminatie op grond van de nationaliteit van migrerende werknemers. Dat is het antwoord van het EU-Hof naar aanleiding van een door de Commissie ingestelde inbreukprocedure tegen Oostenrijk.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 16 juni 2022 in de zaak C-328/20, Europese Commissie tegen Republiek Oostenrijk.

Achtergrond

Op 1 januari 2019 heeft Oostenrijk een aanpassingsmechanisme ingevoerd voor de berekening van het forfaitaire bedrag van de kinderbijslag en de diverse belastingvoordelen die het toekent aan werknemers van wie de kinderen permanent in een andere EU-lidstaat wonen. Tot die belastingvoordelen behoren de belastingaftrek voor kinderen ten laste, de gezinsbonus plus, de eenverdienersaftrek, de eenouderaftrek en de alimentatieaftrek. De bedragen kunnen naar boven of naar beneden worden bijgesteld overeenkomstig het algemene prijsniveau in de betrokken EU-lidstaat.

De Commissie is van mening dat dit aanpassingsmechanisme en het hieruit voortvloeiende verschil in behandeling tussen met name migrerende werknemers en nationale werknemers in strijd is met het EU-recht.

De Commissie beroept zich op de artikelen 7 en 67 van verordening 883/2004. Uit die beide bepalingen volgt dat een uitkering, zoals een gezinsbijslag, niet kan worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende of de leden van zijn gezin in een andere lidstaat wonen dan die waar zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is. Daarnaast beroept de Commissie zich op artikel 4 van verordening 883/2004 en artikel 7, lid 2 van verordening 492/2011. Die twee bepalingen concretiseren allebei het in artikel 45 van het EU-Werkingsverdrag neergelegde beginsel van gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid.

EU-Hof

Het EU-Hof stelt om te beginnen vast dat de betrokken kinderbijslag en kinderaftrek moeten worden beschouwd als gezinsbijslagen waarop verordening 883/2004 van toepassing is. Deze bijslagen mogen volgens het EU-Hof op geen enkele wijze worden verminderd of gewijzigd op grond van het feit dat de begunstigde of zijn gezinsleden in een andere lidstaat wonen dan de lidstaat die deze bijslag en deze aftrek toekent.

Verordening 883/2004 vereist volgens het EU-Hof dat de bedragen van de gezinsbijslagen die door een lidstaat worden uitgekeerd aan werknemers van wie de gezinsleden in die lidstaat wonen, exact overeenstemmen met die welke worden uitgekeerd aan werknemers van wie de gezinsleden in een andere lidstaat wonen. Aangezien geen rekening wordt gehouden met verschillen in prijsniveau binnen de lidstaat die de voordelen toekent, rechtvaardigen verschillen in koopkracht tussen de lidstaten niet dat een lidstaat aan die tweede categorie personen geen even grote voordelen toekent als aan personen van de eerste categorie.

In die omstandigheden oordeelt het EU-Hof dat het aanpassingsmechanisme, voor zover zij de gezinsbijslagen aanpast naargelang van de woonstaat van de kinderen van de begunstigde, een schending oplevert van verordening 883/2004.

Wat de kinderbijslag en de andere belastingvoordelen betreft, herinnert het EU-Hof eraan dat het recht van de EU discriminatie op het gebied van de sociale zekerheid op grond van de nationaliteit van migrerende werknemers verbiedt. Het aanpassingsmechanisme wordt enkel toegepast wanneer het kind buiten het Oostenrijkse grondgebied verblijft en treft dus in hoofdzaak migrerende werknemers, aangezien met name hun kinderen in een andere lidstaat kunnen verblijven.

Bovendien is de overgrote meerderheid van de migrerende werknemers op wie deze regeling van toepassing is, afkomstig uit lidstaten waar de kosten van levensonderhoud lager zijn dan in Oostenrijk, waardoor zij lagere gezinsbijslagen en minder sociale en belastingvoordelen ontvangen dan Oostenrijkse werknemers.

Het aanpassingsmechanisme vormt volgens het EU-Hof een indirecte discriminatie op grond van nationaliteit die hoe dan ook niet gerechtvaardigd kan worden. In dit verband benadrukt het EU-Hof dat migrerende werknemers op dezelfde wijze als een nationale werknemer betrokken zijn bij de vaststelling en de financiering van de bijdragen die ten grondslag liggen aan de betreffende gezinsbijslagen en belastingvoordelen, zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met de woonplaats van hun kinderen. Hieruit volgt volgens het EU-Hof dat de omstreden Oostenrijkse wettelijke regeling ook een schending oplevert van verordening 492/2011.

In deze omstandigheden wijst het EU-Hof het door de Commissie ingestelde beroep wegens niet-nakoming in zijn geheel toe.

Meer informatie: