EU-Hof: het aan journalisten ter beschikking stellen van gerechtelijke stukken waarin persoonsgegevens zijn opgenomen behoort tot uitoefening van rechtelijke taak

Contentverzamelaar

Terug EU-Hof: het aan journalisten ter beschikking stellen van gerechtelijke stukken waarin persoonsgegevens zijn opgenomen behoort tot uitoefening van rechtelijke taak

Het behoort tot de uitoefening van rechterlijke taken door een gerecht in de zin van de AVG om uit een gerechtelijke procedure afkomstige stukken -waarin persoonsgegevens zijn opgenomen- tijdelijk ter beschikking te stellen aan journalisten om hen in staat te stellen beter verslag te doen van het verloop van die procedure. Dat is het antwoord van het EU-Hof op prejudiciële vragen van de Nederlandse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 24 maart 2022 in de zaak C-245/ 20 (Autoriteit Persoonsgegevens).

Achtergrond

Na afloop van een rechtszitting in oktober 2018 bij de Nederlandse Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in het kader van een gerechtelijke procedure waarbij Z (vertegenwoordigd door X) partij was, zijn Z en X aangesproken door een journalist.

X constateerde tijdens het gesprek dat deze journalist beschikte over stukken uit het procesdossier van de betrokken zaak, waaronder stukken van zijn hand, waarin met name zijn naam en adres en het burgerservicenummer van Z waren opgenomen. Die journalist liet weten dat deze stukken hem ter beschikking waren gesteld in het kader van het recht op inzage in het procesdossier dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aan journalisten toekent.

Bij brief van 21 november 2018 heeft de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aan X bevestigd dat deze afdeling de media bepaalde informatie over de lopende zaken verstrekt. Hij heeft X meegedeeld dat de afdeling Communicatie van de Raad van State op de zittingsdag stukken ter inzage legt voor de aanwezige journalisten. Deze stukken -te weten een kopie van het beroepschrift, het verweerschrift en, in voorkomend geval, de bestreden rechterlijke beslissing- helpen die journalisten bij het volgen van de zittingen en worden na afloop van de zittingsdag vernietigd.

X en Z hebben daarop de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) verzocht om jegens de Raad van State „maatregelen tot handhaving” van de regels inzake de bescherming van persoonsgegevens te nemen. Met hun handhavingsverzoeken, die neerkwamen op klachten, betoogden zij dat de Raad van State verordening 2016/679 (hierna: de Algemene Verordening Gegevensbescherming; AVG) had geschonden door journalisten inzage te geven in hen betreffende persoonsgegevens die afkomstig waren uit stukken uit een procesdossier.

In haar antwoord op die verzoeken heeft de AP aangegeven dat zij krachtens artikel 55, lid 3, van de AVG niet competent was om toe te zien op de verwerkingen van de betrokken persoonsgegevens door de Raad van State. De AP heeft de verzoeken van X en Z vervolgens doorgezonden aan de AVG-commissie bestuursrechtelijke colleges, die ze op haar beurt heeft doorgezonden aan de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de verzoeken van X en Z onderzocht als klachten over zijn brief van 21 november 2018 en heeft - na het advies van de AVG-commissie bestuursrechtelijke colleges- nieuw beleid betreffende de inzage in processtukken vastgesteld. Dat beleid is op de website van de Raad van State gepubliceerd.

X en Z zijn bij de verwijzende rechter, de rechtbank Midden-Nederland, opgekomen tegen het besluit waarbij de AP zich niet competent achtte om van hun verzoeken kennis te nemen.

Volgens deze rechter vormt het bieden van inzage in processtukken waarin persoonsgegevens zijn opgenomen en het tijdelijk ter hand stellen van die processtukken aan een journalist een „verwerking” van persoonsgegevens in de zin van artikel 4, punt 2, van de AVG, waarvoor X en Z in casu geen toestemming hebben gegeven. Om te bepalen of de AP daadwerkelijk niet competent was om te beslissen op de verzoeken van X en Z, vraagt de verwijzende rechter zich echter af welke uitleg moet worden gegeven aan artikel 55, lid 3, van de AVG, waarin is bepaald dat toezichthoudende autoriteiten niet competent zijn om toe te zien op verwerkingen door gerechten „bij de uitoefening van hun rechterlijke taken”.

De verwijzende rechter schorst de behandeling van de zaak en het verzoekt het EU-Hof om een prejudiciële beslissing.

EU-Hof

Het EU-Hof merkt op dat de verwijzende rechter met zijn prejudiciële vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 55, lid 3, van de AVG zo moet worden uitgelegd dat het tot de uitoefening door een gerecht van zijn „rechterlijke taken” in de zin van deze bepaling behoort om uit een gerechtelijke procedure afkomstige stukken waarin persoonsgegevens zijn opgenomen tijdelijk ter beschikking te stellen aan journalisten.

In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich af of bij de beantwoording van deze vraag in aanmerking moet worden genomen dat het uitoefenen door de toezichthoudende autoriteit van haar bevoegdheden afbreuk zou kunnen doen aan de onafhankelijkheid van rechters in hun oordeelsvorming in concrete zaken.

Ook vraagt de verwijzende rechter zich af of rekening moet worden gehouden met de aard en het doel van dat ter beschikking stellen van processtukken, namelijk journalisten in staat te stellen beter verslag te doen van het verloop van een gerechtelijke procedure, of met de vraag of die terbeschikkingstelling berust op een expliciete nationaalrechtelijke grondslag.

Het EU-Hof stelt dat artikel 55, lid 3, van de AVG zo moet worden uitgelegd dat het tot de uitoefening door een gerecht van zijn „rechterlijke taken” in de zin van deze bepaling behoort om uit een gerechtelijke procedure afkomstige stukken waarin persoonsgegevens zijn opgenomen tijdelijk ter beschikking te stellen aan journalisten om hen in staat te stellen beter verslag te doen van het verloop van die procedure.

Het EU-Hof merkt hierbij op dat het behoud van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in het algemeen veronderstelt dat de rechterlijke instanties hun rechterlijke taken volledig autonoom uitoefenen, zonder enig hiërarchisch verband en zonder ondergeschikt te zijn of van waar dan ook bevelen of instructies te ontvangen. Ook moeten zij aldus beschermd zijn tegen inmenging of druk van buitenaf die de onafhankelijkheid van de oordeelsvorming van hun leden in aan hen voorgelegde geschillen in gevaar zou kunnen brengen. De eerbiediging van de krachtens het Unierecht vereiste waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid veronderstelt dat er regels bestaan die geschikt zijn om bij de justitiabelen elke legitieme twijfel erover weg te nemen dat de betrokken instantie zich niet laat beïnvloeden door externe factoren en onpartijdig is ten opzichte van de betrokken belangen

De verwijzing in artikel 55, lid 3, van de AVG naar verwerkingen door gerechten „bij de uitoefening van hun rechterlijke taken” moet in de context van deze verordening volgens het EU-Hof zo worden opgevat dat zij niet enkel ziet op verwerkingen van persoonsgegevens door gerechten in het kader van concrete zaken, maar in ruimere zin betrekking heeft op alle verwerkingen door gerechten in het kader van de uitoefening van hun rechterlijke werkzaamheden. Zo vallen verwerkingen waarbij het toezicht door de toezichthoudende autoriteit direct of indirect van invloed kan zijn op de onafhankelijkheid van hun leden of op hun beslissingen, buiten de competentie van deze autoriteit.

In dat verband merkt het EU-Hof op dat de aard en het doel van de verwerking door een gerecht weliswaar voornamelijk verband houden met de toetsing van de rechtmatigheid van deze verwerking, maar zij kunnen aanwijzingen vormen waaruit kan blijken dat die verwerking deel uitmaakt van de uitoefening door dat gerecht van zijn „rechterlijke taken”. De vragen of de verwerking berust op een expliciete nationale wettelijke grondslag en of de verwerkte persoonsgegevens rechtmatig aan derden kunnen worden verstrekt, houden daarentegen uitsluitend verband met de toetsing van de rechtmatigheid van de verwerking, aangezien deze elementen niet relevant zijn om te bepalen of de toezichthoudende autoriteit op grond van artikel 55 van de AVG competent is om toe te zien op die verwerking.

Het bepalen, gelet op het voorwerp en de context van een bepaalde zaak, welke informatie uit een dossier van een gerechtelijke procedure aan journalisten mag worden verstrekt met het doel hen in staat te stellen verslag uit te brengen over het verloop van de gerechtelijke procedure of bepaalde aspecten van een gewezen beslissing toe te lichten, houdt volgens het EU-Hof duidelijk verband met de uitoefening door die gerechten van hun „rechterlijke taken”. Het toezicht daarop door een externe autoriteit zou de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in het algemeen in gevaar kunnen brengen.

Meer informatie:
ECER-bericht: AG: gerechten kunnen processtukken met persoons gegevens aan journalist verstrekken conform de AVG (11 oktober 2021)
ECER-dossier: Privacy, AVG