Contentverzamelaar

EU-Hof: Hongarije moet binnenlandse en buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs gelijk behandelen
De Hongaarse vereisten dat buitenlandse instellingen alleen onderwijsactiviteiten in Hongarije kunnen aanbieden wanneer Hongarije een internationale overeenkomst heeft gesloten met het land van oorsprong van de buitenlandse onderwijsinstelling en dat de buitenlandse onderwijsinstelling daadwerkelijk onderwijsactiviteiten moet uitoefenen in het land van oorsprong zijn onverenigbaar met het EU-recht en het recht van de WTO. Dat is het oordeel van het EU-Hof in een inbreukprocedure tegen Hongarije.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 6 oktober 2020 in de zaak C-66/18, Commissie tegen Hongarije .

In 2017 werd de Hongaarse wet op het hoger onderwijs in die zin gewijzigd dat instellingen voor hoger onderwijs uit landen buiten de Europese Economische Ruimte (EER) in Hongarije alleen onderwijsactiviteiten mogen ontplooien wanneer tussen Hongarije en het land van oorsprong van de instelling een internationale overeenkomst is gesloten. Bovendien moeten volgens die wet alle buitenlandse instellingen  voor hoger onderwijs die in Hongarije onderwijs willen aanbieden ook in hun land van oorsprong onderwijs aanbieden. Dit laatste vereiste is zowel van toepassing op hogeronderwijsinstellingen uit EER-landen (waaronder EU-lidstaten) als niet-EER-landen.

Vanwege deze wijzigingen van de wet op het hoger onderwijs is de Europese Commissie in 2018 een inbreukprocedure gestart tegen Hongarije.

EU-Hof

Bevoegdheid EU-Hof ten aanzien van WTO-recht

De Europese Commissie heeft in deze zaak een beroep gedaan op enkele bepalingen uit de Algemene overeenkomst betreffende de handel in diensten (General Agreement on Trade in Services: hierna: GATS). Het EU-Hof oordeelt dat het bevoegd is om kennis te nemen van klachten over inbreuken op het WTO-recht, waarvan de GATS een onderdeel uitmaakt. Het EU-Hof brengt namelijk in herinnering dat elke internationale overeenkomst die door de EU wordt gesloten een integrerend onderdeel van het EU-recht gaat vormen ( zaak C-181/73 ). De EU heeft de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), waarvan de GATS een onderdeel vormt, goedgekeurd bij Besluit 94/800 . De GATS vormt dus een integrerend onderdeel van het EU-recht.

Eerste vereiste: een voorafgaande overeenkomst tussen Hongarije en de lidstaat van oorsprong

Artikel XVII van de GATS bepaalt dat een lid van de WTO diensten en dienstverleners uit andere WTO-lidstaten niet ongunstiger mag behandelen dan zijn eigen diensten en dienstverleners. Het EU-Hof oordeelt dat het Hongaarse vereiste van een voorafgaande internationale overeenkomst tussen Hongarije en het land van oorsprong van de hoger onderwijsinstelling de buitenlandse onderwijsinstellingen een aanvullende voorwaarde oplegt voor het verlenen van onderwijsdiensten. Hongaarse instellingen hoeven niet te voldoen aan deze voorwaarde. Het vereiste van een voorafgaande overeenkomst creëert daarmee een wijziging in de mededingingsvoorwaarden ten nadele van buitenlandse onderwijsinstellingen en ten gunste van de Hongaarse instellingen. Een dergelijk vereiste is volgens het EU-Hof daarom in strijd met Artikel XVII van de GATS.

Een inbreuk op artikel XVII van de GATS kan niet door Hongarije worden gerechtvaardigd met een beroep op de bescherming van de openbare orde. Volgens het EU-Hof heeft Hongarije niet concreet en gedetailleerd genoeg aangetoond dat sprake is van een reële en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving. Het EU-Hof oordeelt eveneens dat de inbreuk ook niet kan worden gerechtvaardigd voor zover het vereiste zou beogen bedrieglijke praktijken te voorkomen. Volgens het EU-Hof kan de betrouwbaarheid van een buitenlandse onderwijsinstelling ook met andere middelen worden aangetoond, waaronder een eenzijdige verklaring van het land van oorsprong dat de onderwijsinstelling betrouwbaar is.

Tweede vereiste: het verrichten van onderwijsactiviteiten in het land van oorsprong

Het EU-Hof oordeelt vervolgens dat het Hongaarse vereiste dat de buitenlandse onderwijsinstelling activiteiten moet verrichten in het land van oorsprong in strijd is met artikel XVII van de GATS. Buitenlandse onderwijsinstellingen moeten zich daardoor namelijk eerst vestigen in hun land van oorsprong en kunnen vervolgens pas in Hongarije onderwijsactiviteiten aanbieden. Hongaarse instellingen zijn al in Hongarije gevestigd en kunnen direct activiteiten aanbieden. Een dergelijk vereiste leidt dus tot een wijziging in de mededingingsvoorwaarden en een schending van artikel XVII van de GATS. De inbreuk op artikel XVII kan volgens het EU-Hof om dezelfde redenen als bij het vereiste van een voorafgaande overeenkomst niet worden gerechtvaardigd op grond van de bescherming van de openbare orde of het voorkomen van bedrieglijke praktijken.

Verder oordeelt het EU-Hof dat het Hongaarse vereiste dat de buitenlandse onderwijsinstelling activiteiten verricht in het land van oorsprong ook in strijd is met de vrijheid van vestiging ( artikel 49 EU-Werkingsverdrag ) en artikel 16 van richtlijn 2006/123 betreffende diensten op de interne markt . Dit vereiste is namelijk ook van toepassing op onderwijsinstellingen uit EU-lidstaten. In dit kader oordeelt het EU-Hof dat om dezelfde redenen als bij de toetsing van artikel XVII van de GATS geen beroep kan worden gedaan op de bescherming van de openbare orde of het voorkomen van bedrieglijke praktijken. Daarnaast kan het vereiste niet worden gerechtvaardigd door te stellen dat het vereiste de hoge kwaliteit van het hoger onderwijs in Hongarije beoogt te waarborgen. De verplichting om onderwijsactiviteiten in het land van oorsprong te verrichten zegt namelijk niets over de kwaliteit van de activiteiten van de onderwijsinstelling in het land van oorsprong.

Toepassing van het EU-Handvest

Het EU-Hof oordeelt verder dat de twee vereisten die in de Hongaarse wet op het hoger onderwijs zijn opgenomen onverenigbaar zijn met het recht op eerbiediging van de academische vrijheid ( artikel 13 EU-Handvest van de grondrechten ), het recht om onderwijsinstellingen te mogen oprichten ( artikel 14, lid 3, EU-Handvest ) en het recht op vrij ondernemerschap ( artikel 16 EU-Handvest ).

De bepalingen van het EU-Handvest van de grondrechten zijn alleen tot de lidstaten gericht wanneer zij het EU-recht ten uitvoer brengen. De GATS maakt onderdeel uit van het EU-recht. Hieruit volgt dat de lidstaten, wanneer zij hun verplichtingen uit hoofde van de GATS nakomen, moeten worden geacht het EU-recht ten uitvoer te brengen ( artikel 51, lid 1, EU-Handvest ). Het EU-Handvest is van toepassing in deze zaak.

Met betrekking tot het recht op academische vrijheid (artikel 13 EU-Handvest) oordeelt het EU-Hof dat dit recht ook een institutionele en organisatorische dimensie heeft. Deze dimensie komt tot uitdrukking in de autonomie van academische instellingen. Het EU-Hof oordeelt dat de twee Hongaarse vereisten in strijd zijn met artikel 13 EU-Handvest, omdat deze vereisten de hoger onderwijsinstellingen de autonome infrastructuur kunnen ontnemen die nodig is voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek en onderwijsactiviteiten.

Tenslotte oordeelt het EU-Hof dat de twee vereisten ook in strijd zijn met het recht om onderwijsinstellingen op te mogen richten (artikel 14, lid 3, EU-Handvest) en het recht op vrij ondernemerschap (artikel 16 EU-Handvest). In dit verband oordeelt het EU-Hof dat de twee vereisten de oprichting van een instelling voor hoger onderwijs of de voortzetting van de exploitatie van een bestaande instelling voor hoger onderwijs in Hongarije onzeker maken of uitsluiten.

Meer informatie:

  • ECER-dossier: Rechtsstaat in de EU – Toezichtprocedures in de praktijk – Hongarije