Contentverzamelaar

EU-Hof: indienen verzoek om gezinshereniging moet binnen drie maanden
Een verzoek tot gezinshereniging mag worden afgewezen als het is ingediend na het verstrijken van de termijn van drie maanden, op voorwaarde dat de mogelijkheid bestaat om een nieuw verzoek in te dienen. Deze weigeringsgrond mag niet worden gehanteerd als de vertraging verschoonbaar is. De betrokkenen moeten ook volledig worden geïnformeerd over hoe zij hun recht op gezinshereniging doeltreffend kunnen laten gelden. Ook moet worden gewaarborgd dat vluchtelingen in aanmerking blijven komen voor gunstiger voorwaarden inzake gezinshereniging.

Het gaat om de uitspraak van het EU-Hof van 7 november 2018 in zaak C-380/17 K en B.

F.G, die in Nederland de subsidiaire beschermingsstatus geniet, had een verzoek tot gezinshereniging ingediend op grond van de voorkeursregeling uit de gezinsherenigingsrichtlijn. Deze houdt in dat de lidstaten niet mogen eisen dat vluchtelingen of gezinsleden bewijs leveren dat de gezinshereniger voldoet aan de veristen van huisvesting, ziektekostenverzekering en een stabiel inkomen. De staatssecretaris had het verzoek afgewezen, omdat deze niet was ingediend binnen de termijn van drie maanden na de verkrijging van de verblijfsvergunning. De Raad van State wil weten of een verzoek mag worden afgewezen als het niet op tijd is ingediend.

De gunstigere voorwaarden met betrekking tot het recht op gezinshereniging nemen volgens het EU-Hof niet weg dat lidstaten het voordeel van die regeling afhankelijk mogen stellen van het instellen van dit verzoek binnen een bepaalde termijn. Artikel 12, lid 1 preciseert immers dat de lidstaten kunnen eisen dat de vluchteling wel degelijk aan de voorwaarden van artikel 7, lid 1 ten aanzien van huisvesting, verzekering en inkomen voldoet wanneer het verzoek om gezinshereniging niet wordt ingediend binnen een termijn van drie maanden na de toekenning van vluchtelingenstatus. Lidstaten mogen dus besluiten verzoeken om gezinshereniging niet op grond van de voorkeursregeling te behandelen, maar op grond van de gewone regeling wanneer die verzoeken na het verstrijken van de termijn van drie maanden zijn ingediend. In het geval dat het verzoek door een lidstaat wordt onderzocht dient nog wel rekening te worden gehouden met het belang van het minderjarige kind, de aard en de hechtheid van de gezinsbanden van de betrokken persoon en met de duur van zijn verblijf in de lidstaat alsmede met het bestaan van gezinsbanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst. In deze context kan de betrokken lidstaat voldoen aan het vereiste van individuele behandeling van het verzoek. Er moet onder meer rekening mee worden gehouden met de specifieke aspecten van het feit dat de gezinshereniger een vluchteling is.

De Uniewetgever heeft daarentegen geen duidelijkheid gegeven over hoe een te laat ingediend verzoek op grond van de voorkeursregeling procedureel dient te worden behandeld. Volgens vaste rechtspraak is het op grond van het beginsel van procedurele autonomie een zaak van de interne rechtsorde van de lidstaten om deze procedurevoorschriften vast te stellen. Die voorschriften mogen echter niet ongunstiger zijn dan de voorschriften die in soortgelijke situaties onder het nationaal recht gelden en de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten mogen in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk zijn. Het EU-Hof ziet geen aanwijzingen dat soortgelijke binnenlandse situaties naar Nederlands recht anders worden behandeld. De Nederlandse regeling maakt de uitoefening van het recht op gezinshereniging volgens het EU-Hof ook niet onmogelijk of uiterst moeilijk. De afwijzing van het verzoek op grond van het overschrijden van de termijn van drie maanden maakt het immers niet onmogelijk dat het recht op gezinshereniging wordt uitgevoerd, aangezien de gezinshereniging nog steeds kan worden toegestaan. Het moeten indienen van een nieuw verzoek kan wel leiden tot vertraging en administratieve lasten, maar belet niet het doeltreffend doen gelden van het recht op gezinshereniging. Het EU-Hof benadrukt dat alleen van de vluchteling kan worden vereist dat hij aan de voorwaarden van artikel 7, lid 1 van de richtlijn voldoet. De gunstigere voorwaarden voor de uitoefening van het recht op gezinshereniging uit de richtlijn dienen derhalve nog wel te worden toegepast.