Contentverzamelaar

EU-Hof: Islamitisch kafala kind geen automatisch verblijfsrecht bij Unieburger
Een minderjarige voor wie een Unieburger zorg draagt in het kader van het Algerijnse kafala-stelsel kan niet worden aangemerkt als een ‘rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn’ van deze Unieburger. De woonlidstaat van deze Unieburger moet wel, na een individuele beoordeling, de binnenkomst en het verblijf van deze minderjarige op zijn grondgebied vergemakkelijken.

Dit heeft het EU-Hof bepaald in zijn arrest van 29 maart 2019 in zaak C-129/18 SM.

SM is een Algerijns staatsburger en is geboren in 2010. Zij valt uit hoofde van ‘kafala’ op grond van het Algerijnse recht onder de voogdij van twee Franse onderdanen. Deze Franse onderdanen zijn echtgenoten en verblijven in het Verenigd Koninkrijk. De Entry Clearance Officer heeft de binnenkomstmachtiging afgewezen omdat het Verenigd Koninkrijk, kort gezegd, de voogdij uit hoofde van ‘kafala’ niet erkent als een adoptie. Daarom wordt SM niet aangemerkt als geadopteerd kind in de zin van de Britse wetgeving en valt zij niet onder de definitie van familielid uit richtlijn 2004/38, zoals deze in het recht van het Verenigd Koninkrijk is omgezet. Het kafala-stelsel is een familierechtelijke rechtsfiguur die bestaat in bepaalde landen met een Islamitische traditie. In beroep tegen de afwijzing stelt de Supreme Court het EU-Hof of deze minderjarige op grond van de richtlijn vrij verkeer (2004/38) kan worden aangemerkt als familielid. Het begrip familielid in de richtlijn betreft ‘rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn’.

Binnenkomst van familielid en andere familieleden

De richtlijn voorziet voor een kind dat geen Unieburger is in twee mogelijkheden om binnen te komen en te verblijven op het grondgebied van een lidstaat in gezelschap van de personen met wie het een gezinsleven leidt. In het geval van rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn is dit recht van binnenkomst en verblijf praktisch automatisch, terwijl voor ‘andere familieleden’ die ten laste zijn of die inwonen bij de Unieburger die het verblijfsrecht in eerste instantie geniet, voor de verlening van dergelijke rechten vooraf een onderzoek van de situatie vereist is. Het EU-Hof stelt allereerst vast dat kafala krachtens het Algerijnse recht de verbintenis van een volwassene vormt om zorg te dragen voor het onderhoud, de opvoeding en de bescherming van een kind op dezelfde manier als een ouder dat voor zijn kind zou doen, evenals om wettelijke voogdij over dat kind uit te oefenen. Anders dan bij adoptie, die verboden is volgens Algerijns recht, verleent de plaatsing van een kind onder kafala het kind niet de status van erfgenaam van de voogd. Bovendien eindigt kafala wanneer het kind meerderjarig wordt en kan deze op verzoek van de biologische ouders of de voogd worden herroepen.

Begrip ‘rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn’

Het EU-Hof stelt vast dat bij gberek aan uitdrukkelijke verwijzing naar nationaal recht voor de invulling van dit begrip de eenvormige toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel vereisen dat de bewoordingen van de richtlijn autonoom en uniform moet worden uitgelegd. Ook de richtlijn zelf bevat geen definitie van het begrip. Het EU-Hof gaat daarom niet alleen te rade bij de bewoordingen van de betrokken bepaling, maar ook de context ervan en de doelstellingen die de richtlijn nastreeft. In dit verband merkt het EU-Hof op dat het begrip gewoonlijk verwijst naar het bestaan van een afstammingsrelatie. ‘Afstammingsrelatie’ moet ruim worden opgevat zodat het elke afstammingsrelatie bestrijkt, ongeacht of deze biologisch dan wel juridisch van aard is. Het begrip omvat om die reden zowel een biologisch kind als een geadopteerd kind van een Unieburger als is aangetoond dat adoptie een juridische afstammingsrelatie in het leven roept tussen het betrokken kind en de betrokken Unieburger.

Het EU-Hof stelt vast dat de plaatsing van een kind onder het Algerijnse kafala-stelsel geen afstammingsrelatie tussen het kind en zijn voogd in het leven roept. Een kind dat uit hoofde van dat stelsel onder wettelijke voogdij van Unieburgers wordt geplaatst, kan dan ook niet worden aangemerkt als een ‘rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn’ van een Unieburger.

Begrip ‘ander familielid’

Een dergelijk kind kan wel onder het begrip ‘ander familielid’ uit de richtlijn vrij verkeer vallen. Het EU-Hof benadrukt in dit verband dat het doel van de richtlijn is om ‘de eenheid van het gezin in een verruimde betekenis te handhaven’ door de binnenkomst en het verblijf te vergemakkelijken van personen die nauwe en duurzame familiebanden met een Unieburger hebben wegens bijzondere feitelijke omstandigheden, bijvoorbeeld omdat zij financieel afhankelijk zijn, tot het huishouden behoren of met ernstige gezondheidsproblemen kampen. Volgens het EU-Hof moeten de lidstaten dus voor de ‘familieleden in ruime zin’ voorzien in de mogelijkheid om een beslissing aangaande hun aanvraag voor binnenkomst te verkrijgen. Die beslissing moet op een nauwkeurig onderzoek van hun persoonlijke situatie zijn gebaseerd, en moet rekening houden met de verschillende relevante omstandigheden. In geval van weigering moet de beslissing worden gemotiveerd. De beoordelingsbevoegdheid van de lidstaten moet bovendien worden uitgeoefend met inachtneming van het EU-Handvest, in het bijzonder het daarin vervatte recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven en de bescherming van de belangen van het kind.

Het Hof komt tot de slotsom dat de bevoegde nationale autoriteiten de binnenkomst en het verblijf van een uit hoofde van het Algerijnse kafala-stelsel onder wettelijke voogdij van Unieburgers geplaatst kind als ‘ander familielid’ van een Unieburger dienen te vergemakkelijken, door een evenwichtige en redelijke beoordeling te maken van alle actuele en relevante omstandigheden van het individuele geval, waarbij rekening wordt gehouden met de verschillende in het geding zijnde belangen en in het bijzonder het belang van het betrokken kind. Bij deze beoordeling moet oook rekening worden gehouden met eventuele concrete en geïndividualiseerde risico’s dat het betrokken kind slachtoffer is van mishandeling, uitbuiting of kinderhandel, met dien verstande evenwel dat dergelijke risico’s niet kunnen worden vermoed te bestaan op basis van het enkele feit dat de beoordeling van de geschiktheid van de volwassene en van het belang van het kind waarop de procedure voor plaatsing onder het Algerijnse kafala-stelsel is gebaseerd, minder grondig zou zijn dan de procedure die in de gastlidstaat wordt gevolgd voor adoptie of plaatsing van kinderen. Als na zo een beoordeling komt vast te staan dat het kind en zijn voogd die Unieburger is, daadwerkelijk een gezinsleven zullen leiden en dat het kind afhankelijk is van zijn voogden, vereist het grondrecht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven, samen met de verplichting om rekening te houden met het belang van het kind, in beginsel dat een recht van binnenkomst en verblijf wordt verleend aan dat kind, teneinde het kind in staat te stellen met zijn voogd in de gastlidstaat van laatstgenoemde te leven.

​​​​​​​