Contentverzamelaar

EU-Hof: Koninkrijk der Nederlanden is onder Unierecht verplicht tot compensatie van gederfde douane-inkomsten als gevolg van onjuiste afgifte exportcertificaten op Aruba en Curaçao.
De Europese Commissie is door het EU-Hof in het gelijk gesteld in de inbreukzaak die zij had aangespannen tegen het Koninkrijk der Nederlanden voor het niet compenseren van misgelopen douane-inkomsten als gevolg van een onjuiste toepassing van de LGO-besluiten door Aruba en Curaçao. Het EU-Hof heeft het Verenigd Koninkrijk op dezelfde dag in vergelijkbare zin veroordeeld voor gederfde eigen middelen door zijn LGO Anguilla.

Het gaat om de uitspraak van het EU-Hof van 31 oktober 2019 in zaak C-395/17 Commissie tegen Nederland . De uitspraak van het Hof van Justitie wijkt af van de conclusie van advocaat-generaal Bobek van 6 februari 2019, die het EU-Hof adviseerde het beroep te verwerpen.

Aanleiding voor de inbreukzaak is het verlies aan eigen middelen van de EU als gevolg van het door de autoriteiten van Curaçao en Aruba in strijd met de toen geldende LGO-besluiten (Besluit 91/482/EEG en Besluit 2001/822/EG) afgegeven EUR.1 certificaten. Deze hadden zij afgegeven voor de invoer naar de EU van melkpoeder en rijst uit Curaçao en gries en griesmeel uit Aruba. De Commissie verzocht in 2012 het Koninkrijk der Nederlanden dit verlies aan eigen middelen van de Unie te compenseren. Het Koninkrijk der Nederlanden heeft deze aansprakelijkheid afgewezen en de Commissie is vervolgens naar het EU-Hof gestapt. Zij vraagt het EU-Hof vast te stellen dat het Koninkrijk der Nederlanden de verplichtingen krachtens artikel 4, lid 3, VEU (beginsel van loyale samenwerking) niet is nagekomen door te weigeren het verlies aan eigen middelen ten behoeve van de begroting van de Europese Unie te compenseren.

In zijn uitspraak van 31 oktober stelt het EU-Hof van Justitie de Commissie in het gelijk op grond van de volgende overwegingen. Het Koninkrijk der Nederlanden is een van de lidstaten die ‘bijzondere betrekkingen’ met LGO’s heeft in de zin van artikel 198, eerste alinea, VWEU . Volgens het EU-Hof is het bestaan van deze bijzondere betrekkingen van dien aard dat voor het Koninkrijk als lidstaat een specifieke aansprakelijkheid jegens de Unie in het leven wordt geroepen ingeval de autoriteiten van de met deze lidstaat verbonden LGO in strijd met deze de LGO-besluiten EUR.1-certificaten afgeven.

Het EU-Hof weerlegt onder meer het argument dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen Curaçao en Aruba enerzijds en het Koninkrijk der Nederlanden als lidstaat anderzijds, op basis van de rechtspraak die voortvloeit uit advies 1/78 van 4 oktober 1979 (EU:C:1979:224, punt 62). In die rechtspraak oordeelde het EU-Hof dat wanneer een lidstaat een internationale overeenkomst sluit als internationale vertegenwoordiger van een LGO die tot deze staat behoort, hij niet als lidstaat optreedt. Deze vaststelling, die betekende dat een dergelijke vertegenwoordiging geen invloed had op de ‘afbakening van de bevoegdheidssferen binnen de Gemeenschap’, is volgens het EU-Hof niet relevant voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van een lidstaat voor het in strijd met de LGO‑besluiten afgeven van EUR.1‑certificaten door de autoriteiten van een LGO. Die afgifte valt immers onder de op het grondgebied van de LGO toepasselijke Unierecht.

Het EU-Hof concludeert dat het Koninkrijk der Nederlanden overeenkomstig het beginsel van loyale samenwerking aansprakelijk is voor de in strijd met de LGO-besluiten afgegeven EUR.1 certificaten. De lidstaat die aansprakelijk is voor de afgifte van het certificaat, is op grond van het beginsel van loyale samenwerking ook verplicht alle nodige maatregelen te nemen om deze schending ongedaan te maken. Dat betekent in het bijzonder dat het daaruit voortvloeiende verlies aan eigen middelen moet worden gecompenseerd, in voorkomend geval vermeerderd met vertragingsrente.

Het verweer van het Koninkrijk der Nederlanden dat de beginselen van rechtszekerheid en behoorlijk bestuur in de weg staan aan de claim van de Commissie omdat zij niet binnen redelijke termijn om de schadevergoeding heeft verzocht, wordt door het EU-Hof verworpen. Pas in 2009 was het verlies aan eigen middelen onherroepelijk geworden en de Commissie heeft dat binnen vijf jaar bij het Koninkrijk der Nederlanden aangekaart. De vertragingsrente start vanaf de datum van het verzoek aan de betrokken lidstaat om dit verlies aan eigen middelen te compenseren

Het Koninkrijk is daarom volgens Hof gehouden om overeenkomstig artikel 4, lid 3, VEU het bedrag van dit verlies aan eigen middelen te compenseren, zoals de Commissie bij brieven van 27 januari en 31 mei 2012 had gevorderd.

 

Meer informatie

Uitspraak van het EU-Hof van 31 oktober in C-391/17 Commissie tegen VK

Landen en Gebieden overzee (ECER dossier)